
Kijken naar het conflict in Nigeria maakt het ons mogelijk deze problematiek met een andere benadering te benaderen. Inderdaad zoals dit paper het zal uiteenzetten, is de situatie in Nigeria hoofdzakelijk toe te schrijven aan de gevolgen van de olieontginning. Oliewinning in Nigeria gebeurt altijd door middel van joint venture met de overheid. De grootste joint venture in Nigeria is de Shell Petroleum Development Company of Nigeria Limited (SPDC) en is verantwoordelijk voor 40% van de olieproductie in Nigeria. Shell heeft een aandeel van 30% in deze joint venture. Dit toont aan dat buitenlandse industrieën de belangrijkste acteurs van de Nigeriaanse oliehandel zijn en die handel is precies de bron van de huidige conflicten in het land. De armoede van de bevolking in deze gemeenschappen is echt dramatisch en het Oosten moet er zich verantwoordelijk voor voelen.
Nigeria is de grootse olieproducent in Afrika en de vijfde grootste in de OPEC. Vandaag produceert Niger Delta 80% van het landinkomen dankzij zijn petroleum. Sinds de onafhankelijkheid in 1960, heeft de bevolking 30 jaren militaire beheersing gekend. Mensen in de Niger Delta zijn arm en hebben geen recht op een democratische stem. De laatste maanden zijn de mensen zich actiever gedragen, in het bijzonder door MEND (Movement for Emancipation of Niger Delta). De bevolking heeft geen vertrouwen meer in de overheid die heel corrupt is. 95% van uitvoerwinsten komen uit de oliesector maar de meeste mensen van die regio leven met minder dan een dollar per dag. Sinds de jaren zeventig zijn er 5000 olielekken geweest die vervuiling van het water, de grond en de lucht hebben veroorzaakt. De bevolking voelt geen steun van de overheid en het is de reden waarom ze zich aangetrokken voelen voor de actieve houding. Hun leiders blijven voorstanders zijn van een non-gewelde campagne maar het geduld van de bevolking is bijna op.
Wat gebeurt er dan met de winsten van de olie? Een paar jaar geleden had de overheid een echte verbetering van de onderwijsinfrastructuur en werkgelegenheid beloofd, maar ze hebben deze belofte niet nagekomen. De olieontwikkeling heeft ook het milieu ernstig beschadigd. De bewoners van het Niger Delta waren meestal landbouwers maar de grond werd door de olielekken getroffen en zelfs jaren na het lekken kunnen de landbouwers niets meer met hun grond doen. De olie-industrieën hebben tot nu toe geen compensaties voor de beschadigingen aan de bevolking aangeboden. De toestand in de steden is misschien zelfs slechter en de arme mensen kunnen nauwelijks in deze omstandigheden leven. Als hun levensomstandigheden niet verbeteren, zijn ze bereid om te vechten.
De Nigeriaanse economie is de laatste jaren fel achteruitgegaan en vandaag is de olie de dominante sector van de economie. Wanneer jongeren de kans hebben om naar school en universiteit te gaan, hebben ze het nog moeilijk om werk te vinden. De overheid kan uit de oliewinning genoeg winst maken en vindt het dus overbodig om andere sectoren te ontwikkelen. Maar deze winsten geraken nooit tot bij de bevolking van de regio. Meestal verzeilt het geld in de handen van locale overheden die het geld in locale projecten investeren voor bijvoorbeeld de landbouw of gezondheidsservice. Maar deze projecten komen nooit tot stand en het geld eindigt meestal in hun persoonlijke zakken.
De nieuwe voorzitter, M. Yar'adua, heeft duidelijk gemaakt dat hij, tegen 2020, Nigeria tussen de 20 grootste economische machten wilde plaatsen. Tegen welke prijs zal hij zijn objectief bereiken? Wat is zijn rede over de sociale ontwikkeling van zijn bevolking?
In december heeft de Amerikaanse President M. Bush de nieuwe Nigeriaanse President in het Witte Huis ontmoet. Ondanks de eerste betwistingen na de verkiezingen in april 2007, heeft M. Bush aan Nigeria zijn hulp geboden in de opleidingsector en in de strijd tegen AIDS. De Verenigde Staten zijn inderdaad een belangrijke handelspartner voor Nigeria, voornamelijk te wijten aan de oliehandel . Waarom willen de Verenigde Staten nu de Nigeriaanse bevolking nu helpen? Is het niet een beetje te laat om nu pas over de gevolgen van de westerse oliehandel na te denken?
Géraldine Woitrin
woensdag 26 december 2007
Het olieconflict in Nigeria
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
21:18:00
0
comments
Labels: Géraldine Woitrin, Multimedia
zondag 23 december 2007
Néo-Imperialisme
Bespreking artikel : « Néo-Impérialisme » uit Le Monde Diplomatique van maart 2003, Ignacio Ramonet.
Ignacio Ramonet is de directeur en een journalist van het maandblad “Le Monde Diplomatique”. Zijn artikel bespreekt de interventies van de Verenigde Staten tijdens de laatste jaren en geeft hier kritiek over. Zijn uiteenzetting begint met de benoeming in april 2003 van de Amerikaanse generaal Jay Garner tot Burgerlijke Gouverneur in Irak. Het objectief van deze opdracht was de regio te herstructureren, maar achter dit humanitair aspect had de herstructurering een andere bedoeling, met name een permanente militaire basis op te bouwen en de oliewelvaart te privatiseren . Dus met z’n objectief, zijn de eerste opdrachten van opstelling van dringende hulp en democratisering van het land aanzienlijk achteruitgegaan. Als wij kijken naar de Amerikaanse manier om zich in een land op te dringen, doet het ons denken aan de westerse kolonisatie, de mandaatperiode of de herstructurering na de tweede wereldoorlog. Maar toen was er nog geen internationaal recht en de Verenigde Naties bestonden nog niet. Dus, met die benoeming, hebben de Verenigde Staten alle bestaande internationale rechten genegeerd. De bedoeling van de VN was precies om dit soort feiten nooit meer te zien gebeuren. De VN werden in 1945 opgericht om internationale problemen op te lossen. De organisatie beschikt niet over een militaire strijdmacht en in geval van interventie, wordt de steun van zijn leden gevraagd om militaire opdrachten te voeren. Dus om tussen te komen in een land moeten de leden een verdrag met de betreffende landen ondertekenen. Daarom, hoe kunnen de Verenigde Staten zich het recht toekennen om een ander volk, in dit geval Irak, te beheren zonder de goedkeuring van de andere VN leden?
Vaak in het verleden hebben de Verenigde Staten hun eigen model aan andere landen opgelegd en altijd bleef de Amerikaanse macht heel langer dan aangekondigd. Een concreet voorbeeld is de Amerikaanse interventie in de Filippijnen in 1898. Na drie eeuwen Spaanse kolonisatie had het land een andere aankomst van buitenlandse macht, met name die van de Verenigde Staten, niet nodig. De Filippijnse leiders dachten naïef dat de Verenigde Staten hun hulp zou bieden zonder er compensaties voor te vragen. De eigenlijke bedoeling van hun hulp was hun expansie door te voeren en dus verwachtten de Verenigde Staten een economische compensatie in ruil voor die hulp. Een belangrijke verandering in de Filippijnse gemeenschap was bijvoorbeeld de opleiding van de nieuwe generaties in het Engels. De gevolgen hiervan waren heel dramatisch, in het bijzonder voor de Filippijnse auteurs, journalisten of politici. Een groot deel van het Filippijnse culturele erfdeel is helaas daardoor verdwenen. Dit drama dat normalerwijze maar tijdelijk moest zijn heeft tot 1946 geduurd en vandaag nog hebben de Verenigde Staten een grote invloed op de Filippijnse samenleving meestal, op het ogenblik van de nationale verkiezingen.
De auteur levert kritiek op generaal Jay Garner. Maar Garner had andere ideeën dan het Amerikaanse Witte Huis en werd daarom na drie weken van zijn functie ontheven. Hij dacht dat de Amerikanen de neiging hebben om hun model in alles op te leggen. Ons systeem is zeker goed maar het is daarom niet zo dat het voor iedereen goed is. Hij ontleent de woorden aan T.E. Lawrence: « C’est mieux pour eux de le faire de façon imparfaite que pour nous de le faire de façon parfaite, parce qu’au bout du compte, il s’agit de leur pays et nous n’y serons pas pour très longtemps » . Hij was er zeker van dat het nodig was om Iraki aan het hoofd van het land te zetten, want hoe sneller ze hun land beheren hoe beter zal de toekomst van Irak zijn.
De auteur vergelijkt het Amerikaanse neo-imperialisme met de Romeinse conceptie van een dominante moraal. Inderdaad wat deed ons denken dat ons systeem van leven het beste is? We moeten stoppen met denken dat vrijhandel, modernisatie en westerse cultuur op iedereen van toepassing zijn.
Tenslotte, zoals Jean Bricqmont zegt “We have to think how other people see us too. There is a total miscommunication between the west and the rest. In Iraq, American people are not wanted so they can’t stay forever. We have to change the mentality of the west and to adapt to the change of the 20th century. Human rights are not a tool to use in modernisation of the Third World, it’s a goal. We have to listen to what people say in the rest of the world and to stop thinking that everybody has the same priority and want to be like us” .
Géraldine Woitrin
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
16:42:00
0
comments
Labels: Géraldine Woitrin, Populair
Humanitarian Aid in Iraqi Kurdistan

Bespreking artikel "Humanitarian Aid in Iraqi Kurdistan", Michel Leezenberg
Sinds het einde van de golfoorlog in 1990, heeft Irak een aanmerkelijke militaire, politieke en humanitaire interventie gekend. Het idee erachter was dat Irak een soort test voor de “New World Order” was waar de mensenrechten en humanitaire tussenkomst de prioriteit over staatssoevereiniteit zouden genieten. Maar vijf jaar later waren de resultaten echt anders. Het land werd geconfronteerd met een sociale en economische crisis en een politieke instabiliteit. Als de humanitaire doelstelling erin bestaat de toestand te verbeteren, hoe kunnen we deze gebeurtenissen verklaren?
De humanitaire deelneming in Iraki Koerdistan kan in verschillende stappen gescheiden worden. De eerste fase duurde tot het einde van 1991 en concentreerde zich op de vluchtelingencrisis. Inderdaad, tijdens de tweede golfoorlog na een poging tot staatsgreep tegen Saddam Hussein, reageerden de overheidstroepen door geweldacties die de vlucht van de bevolking naar Turkije en Iran met zich meebracht. Deze landen waren niet bereid om op deze massale invasie te reageren. Een antwoord op die crisis was de opbouw van de “Safe Haven” in het Noorden van Irak. De bedoeling was de vluchtelingen veilig in hun eigen land te laten blijven. Maar in feite was Turkije de echte voornaamste acteur van dit project om de vluchtelingencrisis te stoppen en humanitaire hulp over staatssoevereiniteit te genieten. Dit humanitair project had geen VN mandaat en dus tekenden de VN een Memorandum of Understanding (MOU) om zijn humanitair programma in alle regio’s van Irak duidelijk te maken. Na een paar maanden waren de objectieven bereikt, namelijk de terugkeer van de meeste vluchtelingen in hun land. Maar de politieke problemen en de humanitaire kwestie op lange termijn hadden nog geen antwoord.
Op het einde van 1991 begon de tweede fase van de humanitaire interventie. De Koerdische pogingen probeerden een economische en sociale rehabilitatie te ondernemen, maar de korte termijn humanitaire hulp kende sommige hindernissen, met name het VN embargo of de internationale onwilligheid om de Koerdische streek te steunen. De Koerdische partijen probeerden onderhandelingen met Bagdad te voeren, maar omwille van het niet slagen hiervan ontstonden er confrontaties in de meeste Koerdische steden van het land. De overheid besloot het volk te beschermen door een blokkade tegen het Noorden. Het Noorden moest op zijn locale gemeenschappen rekenen om een locale overheid te vormen. Vanaf het begin bestond er een echte competitie tussen twee voornaamste politieke partijen: de KDP en de KUP. Dit gebrek aan coördinatie had een impact op de verbouwing en de hulpverdeling omdat de scheiding tussen de twee partijen ook een impact had op de eenheid van de buitenlandse hulporganisaties. Ondanks die moeilijke toestand, bleef de VN operaties voeren. Maar deze operaties ondermenen de Iraki overheidscontrole over zijn bevolking wegens de verhoogde scheiding tussen de drie noordelijke groepen. Daarom weigerde Irak in 1993 om het MOU akkoord opnieuw te tekenen dus, als een NGO in het land wilde blijven werken, zou deze interventie als illegaal beschouwd worden.
Vóór 1993, dankzij het MOU akkoord, konden organisaties zoals UNICEF, UNESCO of WFP goed werk voor de verbouwing en ontwikkeling van het land leveren. Maar de VN operaties eisten een aanzienlijk administratief werk en waren daarom betrekkelijk traag, duur en niet echt efficiënt. In aansluiting op de blokkade op het Noorden, gingen twee derde van de humanitaire uitgaven naar het Noorden ondanks het feit dat de situatie in het centrum en het Zuiden waarschijnlijk zelfs slechter was. De buitenlandse hulp verving, in zekere zin, het regeringssysteem van rantsoenering. De hulporganisaties namen de regeringsverantwoordelijkheid voor het welzijn van zijn bevolking over.
Na de afschaffing van de MOU en in die context van competitie tussen locale groepen, was het heel moeilijk voor de NGO’s om neutraal te blijven. Om die reden hadden de locale en buitenlandse NGO’s meer en meer economische invloed. De VN hadden een dubbele rol: sancties opleggen en humanitaire hulp verlenen. Bovendien was die hulp gericht op de politieke interest van sommige leden van de VN, zoals de Verenigde Staten.
De buitenlandse NGO’s moesten ook tegenover economische en sociale spanningen staan, zoals het onjuiste geloof dat de bevolking voor politieke redenen het land had verlaten, het conflict over het land of de storende effecten van de internationale landbouwmarkt (de concurrentie van goedkope buitenlandse producten). Ondanks die moeilijke situatie werden sommige dorpen verbouwd, maar de verbouwing ging snel door militaire operaties van de aangrenzende landen gestoord worden. In de steden was de toestand niet beter omdat de internationale organisaties minder aandacht aan de stedelijke verbouwing besteedden. De steden werden heel afhankelijk van de NGO’s en daarom stortte de burgerlijke overheid in, wat een anarchietoestand met zich meebracht.
In het Noorden werkten de buitenlandse NGO’s met de locale organisaties en de regionale overheid had bijna niets te zeggen. Maar de buitenlandse NGO’s zijn snel een instrument van competitie tussen de locale politieke partijen geworden. De locale NGO’s begonnen de humanitaire hulp in de politieke interest van hun partij te verknoeien.
De laatste fase van de humanitaire interventie in Iraki Koerdistan bestond uit een verslechtering van de sociale en politieke veiligheid, de aftocht van de buitenlandse NGO’s en een tekort aan VN fonds om zijn projecten te verwezenlijken. In 1994 waren er meer en meer conflicten tussen de twee partijen (KDP en PUK). In het begin was het de bedoeling om het land en het oliecontract met de Turkse grens te controleren, maar de inzet was geleidelijk aan de humanitaire hulp meer te beheersen. Deze locale partijen hadden er belang bij om de crisis te handhaven omdat de bevolking zwak en afhankelijk bleef. In 1997 tenslotte realiseerden de twee partijen zich dat niemand het conflict zou winnen, dus werd een demarcatielijn ingesteld. Die oplossing maakte het mogelijk voor de NGO’s een beter werk te bieden. De interne blokkade van het Noorden en de aankoop van olie door de VN hebben sommige vormen van “private entreprise” aangetrokken. Deze bedrijven waren meer lucratieve organisaties voor de persoonlijke verrijking van degenen die al macht in beide het Noorden en de regio’s onder overheidscontrole hadden. Dus werd de grootste verantwoordelijkheid van het welzijn systeem overgedragen van nationale en regionale overheden naar buitenlandse organisaties, verbonden met privé locale contractanten die enorme winsten oogstten van de humanitaire organisaties. In 1998 verbeterde die toestand aanzienlijk dankzij de ‘UNSC resolution 986’. Dit besluit eiste dat de olie-inkomsten voor de Iraki bevolking moesten gebruikt worden.
Tot slot kunnen we zeggen dat de humanitaire interventie in Iraki Koerdistan heel tegenstrijdig was. Aan de ene kant was de eerste bedoeling humanitaire hulp aan de bevolking te bieden, maar aan de andere kant was het heel duidelijk dat, achter dit humanitair karakter, er echte politieke motivaties waren.
Géraldine Woitrin
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
16:23:00
0
comments
Labels: Géraldine Woitrin, Wetenschappelijk