Welkom iedereen!

Het doel van deze blog is een realistisch, genuanceerd - misschien zelfs ontnuchterend - beeld te schetsen van de internationale dynamiek die vandaag de dag plaats vindt onder het vaandel van mensenrechten, democratie, vrijheid en zo meer.

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog en belangrijker nog, de dekolonisatiebeweging die daarop volgde, lijkt de uitbreidingsdrang van de grote mogendheden voorgoed voorbij te zijn. Op het eerste zicht lijkt het wel of het imperialisme van de 19e en eerste helft van de 20ste eeuw plaats maakten voor humanitaire en ontwikkelingshulp, het promoten en ondersteunen van democratische bewegingen, (internationale) bescherming van sociale en mensenrechten. De nadruk wordt telkens weer op het belang van allerhande vrijheden gelegd (vrijheid van meningsuiting, van vergadering, kortom van quasi alle denken en doen). Deze goede bedoelingen zouden moeten blijken uit onder andere ongebonden voedselhulp, gunstige handelsvoorwaarden, kapitaalvoordelen, tot het - soms zelfs gewapend - optreden tegen dictaturen van allerlei pluimage.

Maar klopt het wel dat zulke acties oprecht gebeuren vanuit een humanitaire overweging? Wordt voedselhulp misschien gebruikt om productieoverschotten te dumpen, ontwikkelingshulp om politieke druk uit te oefenen, kapitaalvoordelen om te beleggen in nieuwe markten en militair ingrijpen om goedkopere olie op te pompen? In hoeverre is het humanitarisme enkel een dun laagje om de keiharde en kille machtspolitiek van allerhande machten in de wereldpolitiek op te smukken? In hoeverre is humanitarisme de spreekwoordelijke wolf met het zachte schapenvachtje om? In hoeverre is humanitarisme enkel een andere naam voor het 'oude' imperialisme?

Wetende dat de waarheid niet zwart-wit is, zouden we via een levendige en genuanceerde discussie graag hier en daar wat kleurtinten aanbrengen. Zodoende zullen we trachten een begin tot antwoord te vormen op voorgaande vragen.
Posts tonen met het label Thomas Bomans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Thomas Bomans. Alle posts tonen

zondag 30 december 2007

American Humanitarian Intervention: Toward a Theory of Coevolution

Analyse van en commentaar op het artikel “American Humanitarian Intervention: Toward a Theory of Coevolution” van Alynna J. Lyon en Chris J. Dolan. (In: Foreign Policy Analysis, 3(1) January 2007: 46-78).

In vele van de voorgaande bijdragen werd reeds uitvoerig toegelicht dat de motivatie van bepaalde landen om over te gaan tot een humanitaire interventie, ondanks de retoriek, niet enkel op altruïsme gebaseerd is. Vaak wordt in deze context dan ook naar bijvoorbeeld economische of politieke belangen verwezen. Echter in vele gevallen wordt ook besloten niet tot een interventie over te gaan. Vaak zijn dit ook bewuste beleidskeuzes. Heeft deze keuze voor non-interventie in zulke gevallen enkel en alleen te maken met het ontbreken van bepaalde belangen? Helaas is de werkelijkheid in heel wat gevallen veel complexer dan zulk een simpele causale relatie. In de hierna volgende bijdrage zal ik dan ook trachten de theorie van Lyon en Dolan omtrent de processen die van invloed zijn op deze beleidskeuzes toe te lichten. In hun artikel focussen zij zich in het bijzonder op de processen die leiden tot een al dan niet interventie vanwege de Verenigde Staten. Niets belet echter de conclusies die zij trekken ook te veralgemenen naar beleidsprocessen omtrent interventie in het algemeen.

Zoals eerder aangehaald focussen vele analyses zich quasi exclusief op de belangen die de machtselite heeft bij het nemen van bepaalde beleidsbeslissingen. Daarbij wordt vaak vergeten dat er buiten het nauwe belang van deze elite ook nog een heel gamma aan andere krachten en factoren inwerkt op het besluitvormingsproces. Lyon en Dolan wijzen in dit verband in het bijzonder op het belang van het zogenaamde ‘historical milieu’ of de invloed die uitgaat van beslissingen die reeds in het verleden genomen werden (en de gevolgen daarvan): “This historical milieu influences both the policy maker and the policy by functioning as the ‘lens’ through which previous events shape and inform the public and policy elite consciousness.” M.a.w. het feit dat Amerika in 1994 zeer terughoudend stond om in te grijpen in Rwanda kan zo volgens hen in belangrijke mate verklaard worden door het debacle met Amerikaanse troepen in Somalië in 1993. De Waal (2007) wijst in dit verband bijvoorbeeld terecht op het Presidential Decision Directive 25 van 31 maart 1994 (één week voor het begin van de genocide in Rwanda!), dewelke de Verenigde Staten expliciet verbiedt troepen uit te sturen naar eender waar en eveneens gebiedt weerstand te bieden tegen interventie door andere landen, behalve in geval van de ‘meest ernstige nationale belangen’ in het gedrang komen. Ook de Amerikaanse publieke opinie stond zeer terughoudend t.a.v. ingrijpen in Rwanda. Echter, naast het ‘historical milieu’ zijn er nog tal van andere factoren die een rol spelen in het besluitvormingsproces.

Naast bepaalde binnenlandse factoren (zoals bijv. de media, publieke opinie, parlementsleden, etc.), spelen zeker ook internationale factoren een rol. In tegenstelling tot wat graag beweerd wordt, zullen de Verenigde Staten hoogstwaarschijnlijk vooralsnog steeds een legale interventie die gesteund wordt door bondgenoten prefereren boven een unilaterale interventie. Dit neemt echter niet weg dat een positieve internationale constellatie slecht één van de vele factoren is die een invloed heeft op het proces dat uiteindelijk zal leiden tot een beleidsbeslissing. Een positieve internationale constellatie is in geen geval een conditio sine qua non voor de Verenigde Staten om over te gaan tot een humanitaire interventie. De belangrijke invloed van internationale factoren schuilt allicht in het feit dat ze een (grote) rem hetzij steun kan betekenen in het kader van een beslissing om al dan niet effectief over te gaan tot een humanitair ingrijpen. Het is net de interactie tussen deze veelheid aan factoren die kan leiden tot verschillende uitkomsten.

Teneinde voorgaande theorie toe te passen, lichten Lyon en Dolan vervolgens het wordingsproces van een aantal humanitaire interventies toe (Operation Provide Comfort in Iraaks Koerdistan in de nasleep van de Golfoorlog; Operatie Sustain Hope en Allied Force in Kosovo eind jaren ’90; en tot slot de case van operatie Unified Assistance in de nasleep van de tsunami in 2004-2005). Vooral deze laatste case is interessant omdat het om een concrete operatie gaat waarin het humanitaire aspect ogenschijnlijk centraal staat.

Toen de tsunami op 26 december 2004 op de kusten van Indonesië, Indië, Sri Lanka en andere landen inbeukte, was het afwachten wat de reactie van de internationale gemeenschap zou zijn. Waar veel mensen zich niet van bewust zijn, is dat de reactie van de Verenigde Staten en de internationale media in eerste instantie redelijk lauw was. Oorspronkelijk beloofde de Amerikaanse regering het relatief kleine bedrag van $ 15 miljoen ter leniging van de grootste humanitaire noden. Over een grootschalige humanitaire operatie was überhaupt geen sprake. Het was net kerst geweest en vele Amerikaanse media en nieuwsagentschappen draaiden bovendien niet op volle kracht. Overigens drong de ware orde van grootte van de ramp allicht ook nog niet echt door bij de verschillende actoren. CNN was de enige zender die 75 reporters naar de getroffen regio’s stuurde, waardoor het zeker in de eerste dagen het verhaal beheerste. Aangezien het gebied dat aanvankelijk door de media gedekt werd relatief beperkt was, maakten vele nieuwsnetwerken dan ook gretig gebruik van de binnenstromende beelden en verslagen van toeristen en burgers ter plaatse. Naarmate de ware omvang van de ramp hierdoor geleidelijk aan in kaart gebracht werd, kwam er ook een proces op gang waarbij haast tegen elkaar op geboden werd om zoveel mogelijk hulp te bieden. Lyon en Dolan (2007, p. 66):

Following the U.S. invasion of Iraq and during a time when the debate over unilateralism and multilateralism were primary issues, the global response quickly became a study in competitive donor response framed within the context of national interests (Sachs 2005). One observer described competitive donations as a ‘coldly calculated competition of mercy’ (Kem 2005).

En inderdaad, pas daags nadat de Ondersecretaris-Generaal voor Humanitaire Zaken van de VN, Jan Egeland de beloofde $ 15 miljoen van de VS omschreef als ‘gierig’, kwamen Bush en de zijnen over de brug met een totaal hulppakket van $ 350 miljoen. Andere regeringen volgden al snel en de één trachtte de ander nog te overtreffen. Wereldwijd werden er plots ook allerhande publieke acties georganiseerd – hoe groter hoe liever – om zo groot mogelijke bedragen in te zamelen ten behoeve van de noodlijdende bevolking. Geen mens die zich de vraag stelde wat er met al die astronomische bedragen moest gebeuren en waar ze concreet in geïnvesteerd moesten worden (cfr. “Mijnheer, u steunt toch ook het goede doel?” in deze blog).

De financiële en militaire steun waarmee de VS plots over de boeg kwam, was echter weloverwogen en geenszins pure liefdadigheid. Verschillende factoren leidden ertoe dat het besluitvormingsproces in de richting van een humanitaire interventie zou evolueren.

Ten eerste was de tsunami ondertussen wereldnieuws geworden. Zeker de aangrijpende home-video’s van Westerse toeristen die toevallig in Thailand op vakantie waren, weekten veel emoties los. Er ging dan ook disproportioneel veel aandacht naar de toeristen die het slachtoffer waren van de tsunami (het zou wel eens familie kunnen zijn!). De lokale bevolking kwam minder in beeld en indien dit al het geval was, ging het vooral om aangrijpende beelden van de vele doden die de tsunami veroorzaakt had (dode Westerlingen in beeld brengen in immers uit den boze). Het Amerikaanse publiek zat bijgevolg dan ook gekluisterd voor het scherm naar de berichtgeving (en allerhande fund-raising shows) i.v.m. de tsunami te kijken. Gelijkaardige taferelen in andere Westerse en niet-Westerse landen. Een humanitair ingrijpen werd dan ook ten zeerste gesteunde door de publieke opinie. Zoals Bernard Kouchner het immers ooit stelde: “Where there is no camera, there is no intervention” (cfr. de aanslepende oorlog in Oost-Congo). Echter, ook de strategische belangen van de VS waren gediend met een ingrijpen in de regio. Een ‘humanitaire’ interventie van die aard weegt immers door in de Public Relations (zeker omdat het om het helpen van islamitische landen gaat). Niet zozeer t.a.v. de eigen bevolking dan, maar vooral t.a.v. de bevolking in islamitische landen. Verscheidene opiniepeilingen wezen er dan ook op dat het aandeel van de bevolking in islamitische landen dat een negatief beeld had van de VS in de maanden na de humanitaire interventie aanzienlijk daalde. Verder is, met name Indonesië dan, een strategische partner voor het behoud van stabiliteit in Zuid-Oost Azië en in de ‘war on terror’. Indonesië is immers één van de grootste islamitische landen in de wereld. Er opereren daarenboven ook verscheidene islamitische terreurbewegingen vanuit Indonesië, zoals bijv. het aan Al-Qaïda gelieerde het Jemaah Islamiyah. Tot slot zijn goede relaties met Indonesië ook puur geostrategisch van groot belang voor de VS. Het gematigde moslimland bezit immers aanzienlijke hoeveelheden natuurlijke rijkdommen (olie en gas) en ligt bovendien op een strategische locatie waardoor vele zeeroutes en communicatielijnen lopen.

Zoals uit al het voorgaande mag blijken is het besluitvormingsproces dat leidt tot een humanitaire interventie verre van een simpele cost-benefit analyse. Verscheidene factoren waarop beleidsmakers weinig tot geen invloed hebben, spelen ook vaak een rol van betekenis. Lyon en Dolan trachtten dit complexe proces dan ook als volgt aanschouwelijk te maken:

Ofschoon de studie van het concept van humanitaire interventie nog in zijn kinderschoenen staat, is de poging van Lyon en Dolan alvast een zeer verdienstelijke poging om verder te gaan dan het vaak gebruikt discours dat enkel de nauwe belangen van de actoren onderzoekt. Personen die beweren dat men het hoe en waarom van een bepaalde interventie door een bepaalde actor volledig kan verklaren door simpelweg de belangen van die actor in kaart te brengen hebben niet ongelijk, maar gaan allicht wat kort door de bocht. De ogenschijnlijk soms grillige keuze van beleidsmakers om soms wel in te grijpen, soms niet is immers het resultaat van een heel proces waarbij verschillende krachten de beleidsmakers in verschillende richtingen duwen dan wel trekken. Het lijkt dan ook aangewezen een groter aantal concrete gevallen te analyseren vanuit deze optiek en zo mogelijk het kader dat hierboven geschetst werd nog verder te verfijnen.

Thomas Bomans

zaterdag 29 december 2007

No such thing as humanitarian intervention: why we need to rethink how to realize the ‘Responsibility to Protect’ in wartime.

Bespreking van het artikel “No such thing as humanitarian intervention: why we need to rethink how to realize the ‘Responsibility to Protect’ in wartime” van Alex de Waal. Het artikel werd op 21 maart 2007 gepubliceerd in de Harvard International Review en is te raadplegen op http://www.globalpolicy.org/empire/humanint/2007/0321nosuchthing.htm. Op de website van Global Policy Forum is verder ook nog een mooi gamma aan documenten, speeches en artikels gerelateerd aan het overkoepelend thema van deze blog - humanitaire interventie - terug te vinden.
De auteur van dit artikel,
Alex de Waal, is in zijn hoedanigheid als onderzoeker, schrijver en activist m.b.t. Afrikaanse zaken, goed vertrouwd met de problematiek van humanitaire interventie, in het bijzonder in de Afrikaanse context. In 1992 nam hij ontslag bij Human Rights Watch toen deze mensenrechtenorganisatie openlijk de interventie van de Amerikaanse overheid in Somalië steunde. Momenteel is hij verbonden aan de universiteit van Harvard in het kader van het ‘Global Equity Initiative’. Hij is daarnaast ook directeur van de ‘Social Science Research Council program on AIDS and social transformation’. Tot slot is hij ook nog directeur van ‘Justice Africa’ in Londen.
In eerste instantie tracht Alex de Waal in hoger vermeld artikel het concept van humanitaire interventie - en zijn jongste broertje, het concept van ‘responsibility to protect’ (R2P) - te kaderen binnen het internationale recht en in verband te brengen met het gangbare ethische principe van de zogenaamde ‘just war’ of ‘rechtvaardige oorlog’.
Vervolgens zal hij aan de hand van concrete praktijkvoorbeelden het al dan niet succes van humanitaire interventie en de problemen die daarbij komen kijken toelichten. Tot slot zal de Waal besluiten dat men humanitaire militaire interventie niet mag verwarren met andere gerelateerde begrippen en moet het steeds duidelijk zijn dat pleiten voor een humanitaire militaire interventie, hoe men het ook draait of keert, in feite steeds neerkomt op een roep om een – soms weliswaar ‘rechtvaardige’ – oorlog.

Net zoals Gerrit in zijn bijdrage “Mijnheer, u steunt toch ook het goede doel?” terecht stelt, worden bepaalde begrippen maar al te vaak ge/misbruikt omwille van hun subjectieve (positieve) connotatie zonder dat evenwel wordt aangegeven welke concrete invulling men eraan geeft. In dezelfde lijn vraagt de Waal zich af waarom het concept van ‘humanitaire interventie’ slechts in beperkte mate kritisch benaderd en bestudeerd wordt:

(…) perhaps because of the implication that ‘humanitarian’ actions are above criticism, and because the reality of war is clouded by the euphemism ‘intervention’, there has been too little comparative and historical analysis of the topic. Still less have recent humanitarian interventions been studied as instances of aggressive war - albeit arguably “just war”.

Er dient inderdaad te worden vastgesteld dat interventie omwille van humanitaire of daaraan gerelateerde redenen ('filantropisch imperialisme') zeker niet enkel van deze tijd is. In de loop van de voorbije eeuwen werd reeds lustig aan gebieds- en/of machtsuitbreiding gedaan onder het mom van het welzijn of het ‘goed’ van de andere(n). Zo drukten de kolonisatoren van de 19e eeuw er bijv. maar al te graag op dat zij hun macht in Afrika enkel wilden aanwenden teneinde ontwikkeling te brengen bij de 'achtergestelde lokale bevolking'. Of waarom zouden de interventies die gebeurden teneinde de bedreigde christelijke minderheden in het Ottomaanse rijk de redden, niet onder de noemer ‘humanitaire interventie’ kunnen vallen? Tal van andere recente en minder recente voorbeelden kunnen aangehaald worden om aan te tonen dat de retoriek van het humanitaire feitelijk niets nieuws onder de zon is.

Ondanks het feit dat ‘humanitaire interventies’ ook in de 20ste eeuw op regelmatige basis plaatsvonden (bijv. interventie van India in Oost-Pakistan, van Vietnam in Cambodja, van Tanzania in Oeganda, enz.), is het merkwaardig te noemen dat er zelfs naar het alomtegenwoordige principe van peacekeeping niet als dusdanig verwezen wordt in het Handvest van de Verenigde Naties. Deze vorm van interventie – waarbij een neutrale gewapende macht (“vredesmacht” in het humanitaire jargon) op uitnodiging van strijdende partijen dient toe te zien op een overeengekomen bestand – lijkt immers per definitie humanitair van aard te zijn (i.e. het bewaren van vrede). Zelfs toen het aantal VN peacekeeping-missie’s in de jaren ’90 een explosieve toename kende, was de organisatie van de missie’s – bij gebrek aan wettelijk kader – in vele gevallen nog steeds ‘trial and error’. Daarenboven groeide er – de vele mislukkingen van ‘peacekeeping’ ten spijt – uit het idee van peacekeeping geleidelijk aan ook het concept van ‘peace-enforcement’. Vooral het grote publiek was het idee genegen om ‘vredestroepen’ het slagveld op te sturen en actief te laten ingrijpen teneinde vrede aan de strijdende partijen op te leggen en fysieke bescherming te bieden aan de getroffen burgerbevolking.

Dit was echter niet de eerste keer dat het principe van interventie zo expliciet werd geformuleerd. Meestal wordt Bernard Kouchner, de huidige minister van Buitenlandse Zaken van Frankrijk, gezien als de geestelijke vader van ‘le droit (devoir) d’ingérence’ of het recht (of zelfs de plicht) tot interventie of ingrijpen. Kouchner richtte dan ook ‘Artsen Zonder Grenzen’ op en dit in het bijzonder uit onvrede met de principes van neutraliteit en discretie volgens dewelke het Rode Kruis (waarvoor hij tijdens de oorlog in Biafra werkte) te werk gaat. Hij is er dan ook vurig van overtuigd dat het in eerste instantie de plicht is van elke hulporganisatie om iedere humanitaire nood – ongeacht de kritiek of de nationale soevereiniteit van een regime – te lenigen.

In het verlengde van dit alles wordt momenteel binnen de internationale gemeenschap en de Verenigde Naties druk gedebatteerd over de nieuwste creatie binnen de familie van de humanitaire interventies. Met het zogenaamde principe van ‘Responsibility to Protect’ (R2P) (cfr. infra) lijkt een nieuw hoofdstuk geschreven te worden en is het moment aangebroken om de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om van een rechtmatig humanitaire interventie te kunnen spreken, vast te leggen en te codificeren. In het debat komen enerzijds uitgebreid de plichten van een soevereine staat m.b.t. tot de bescherming van de rechten van zijn onderdanen aan bod en – in geval een staat deze rechten niet kan of wil beschermen – anderzijds de houding dewelke de internationale gemeenschap dient aan te nemen. Meer in het bijzonder staat de vraag centraal welke de al dan niet interveniërende rol van de internationale gemeenschap kan/moet zijn in het geval bepaalde staten hun ‘verantwoordelijkheid om te beschermen’ niet kunnen/willen waarmaken (het mag alvast wel duidelijk zijn dat dit dan gaat over interventie in kleinere landen; er is geen twijfel mogelijk dat interventie in Tsjetsjenië, Tibet of andere conflicten waarbij grootmachten betrokken zijn, uitgesloten is). De Waal wijst in dit verband evenwel terecht op het feit dat de ware aard van een effectieve (militaire) humanitaire interventie (in relatie tot bijv. een klassieke peacekeeping operatie) niet uit het oog verloren mag worden:

There is no such thing as humanitarian military intervention distinct from war or counterinsurgency. Intervention and occupation should not be confused with classic peacekeeping, which is difficult enough even with a ceasefire agreement and the consent of the parties. If we want an intervention to overthrow a tyranny, protect citizens from their own government, or deliver humanitarian aid during an ongoing conflict, we should be honest with ourselves - we are arguing for a just war. And if we wish to make this case, let us be clear that the war is political (and must be very smartly political to succeed); that military logic will dictate what happens (including probable escalation and various unpredictable factors); and that it will entail bloodshed including the killing of innocent people.

Hoewel R2P op het eerste zicht dus – net zoals de term ‘humanitaire interventie’ – een concept lijkt te zijn waar niemand eigenlijk iets op tegen kan hebben, staat of valt alles wederom met de concrete invulling ervan. Paul de Rooij wijst er dan ook terecht op dat het verbazend en zelfs zorgwekkend is dat vele mensenrechtenorganisaties, anti-oorlogsgroeperingen, intellectuelen en andere groepen die traditioneel als links bestempeld worden, het discours van interventie om humanitaire redenen zonder enige noemenswaardige kritiek hebben overgenomen (cfr. o.a. het Euston-manifesto van een groep vnl. linkse Britse politici dat ronduit pro humanitaire interventie is). Het mag immers duidelijk zijn dat, los van het humanitaire discours, de scheidingslijnlijn tussen een humanitaire interventie en een louter militaire interventie zeker niet in alle gevallen duidelijk te trekken is. In vele gevallen zijn de drijfveren om tot interventie over te gaan op zijn minst van gemengde aard (en dus niet louter humanitair), in nog andere gevallen spelen er in de besluitvorming zelfs ronduit verborgen motieven (of een verborgen agenda) mee (zie daaromtrent bijv. ook andere bijdragen in deze blog).

In zijn artikel haalt de Waal een heel aantal voorbeelden uit de jaren ’90 aan die de moeilijkheden en problemen in de praktijk van de humanitaire interventie kunnen illustreren. Aangezien zulke voorbeelden in het kader van deze blog meermaals ter sprake kwamen/komen, zal ik in het kader van deze bijdrage niet uitgebreid op ingaan, maar ze toch even kort aanraken:

  1. De organisatie van een ‘safe-haven’ in Iraaks Koerdistan na het einde van de eerste golfoorlog: hoewel deze operatie enerzijds humanitair van aard was – de operatie beschermde effectief de Koerden tegen aanvallen en gaf hen bovendien enige politieke ruimte –, mag anderzijds het belang van bepaalde betrokken partijen ook niet uit het oog verloren worden. De interventie voorkwam dat Turkije (een NAVO-lidstaat) honderdduizenden Koerdische vluchtelingen diende op te vangen. Ook mag het zeer duidelijk zijn dat deze interventie volledig in het kader van de militaire en politieke campagne van de VS tegen het regime van Sadam Hoessein gezien moet worden.
  2. Operatie ‘Restore Hope’ in Somalië: aanvankelijk werd deze operatie (met VN goedkeuring) opgezet vanuit een strikt humanitair oogpunt. De dunne scheidingslijn tussen een humanitaire interventie en een militaire interventie zou echter snel blijken toen een aantal Black Hawk helikopters van het Amerikaanse leger werden neergeschoten. Snel na deze gebeurtenissen werd de beslissing genomen over te gaan tot een grootschalige militair ingrijpen (in VN kader). Op het moment dat deze beslissing genomen werd, kwam er echter eveneens een eind aan het humanitaire karakter van de interventie.
  3. Het fiasco in het kader van de Rwandese genocide in 1994: dit geval is volgens de Waal complexer dan de voorgaande gevallen. Hoewel de VN commandant Dallaire er in Kigali in slaagde een paar duizend Tutsi’s te redden van een gewisse dood, had hij met het juiste mandaat en meer troepen misschien veel meer kunnen bereiken. Echter, de roep van velen om te interveniëren om zowel de slachtingen als de oorlog te stoppen, zou volgens de Waal – indien zulk een grootschalige interventie effectief plaatsgevonden zou hebben – misschien wel eens een pervers contraproductief effect gehad kunnen hebben. Immers, net het snelle oprukken van de ‘rebellen’ van het ‘Rwandese Patriottische Front’ leidde ertoe dat de massamoorden geleidelijk aan verminderden en stopten. De goedkeuring van een VN resolutie die tot een staakt-het-vuren zou oproepen zou, net door het afremmen van deze opmars, het perverse effect kunnen hebben dat het de massamoorden ongewild zou verlengen.
  4. Operatie ‘Turquoise’ van Frankrijk gedurende de laatste dagen van de genocide in Rwanda: Frankrijk bekwam een VN resolutie die een zogenaamde humanitaire operatie in West-Rwanda goedkeurde. Echter, de ware aard van de operatie was relatief doorzichtig; i.p.v. humanitair van aard was de operatie een ultieme politieke daad van Frankrijk om middels deze resolutie een stuk grondgebied te vrijwaren voor het genocidale regime dat ondertussen in volledig diskrediet geraakt was in de internationale gemeenschap (cfr. het ingrijpen van Frankrijk in Oost-Congo en de rol van Frankrijk in het uitbreken van de oorlog in Oost-Congo).
  5. De oorlog in Bosnië en later in Kosovo: oorspronkelijk besloot de NAVO in te grijpen zonder VN goedkeuring (later zou deze evenwel in min of meerdere mate volgen). In beide gevallen was het immers snel duidelijk dat de politieke belangen (nabijheid van het conflict, veiligheid, etc.) de wettelijke obstakels ver achter zich zouden laten. Als het er op aankomt primeert de politiek dus nog steeds overduidelijk op de internationale wetgeving. Ondanks humanitaire debacles als dat van Srebrenica, stelt de Waal dat operaties als die in Bosnië en Kosovo als voorbeeld genomen kunnen worden van interventies met een ‘meer positieve uitkomst’ (want de oorlog kwam in beide gevallen tot een einde). Zoals de Waal citeert was de uiteindelijke uitkomst volgens de Bosnische president Izetbegovic niet rechtvaardig, maar in ieder geval “(…) more just than continuing the war”. De Waal gaat verder: “The bombing was, in short, an act of war (politics by other means) that succeeded in bringing about a better (or at least less bad) state of affairs.”

Uit mijn eerdere bijdrage m.b.t. het conflict in Darfoer mag reeds duidelijk blijken dat het conflict daar allesbehalve een eenvoudige humanitaire kwestie is. Het is juister te stellen dat hoewel ook hier humanitaire bekommernissen meespelen, andere belangen (zoals oliebelangen) evenzeer in overweging genomen dienen te worden. Het voorgaande indachtig, wil ik daarom deze bijdrage afsluiten met een aantal opmerkingen/ bedenkingen omtrent het hele debat dat vooraf ging aan de beslissing om een hybride VN- AU troepenmacht naar Darfoer te sturen. Niettegenstaande deze interventie allicht de vuurdoop van het R2P concept zal worden, valt op hoezeer enerzijds het debat toegespitst werd op de concrete invulling van de missie (aantallen, mandaat, welke landen, etc.) en hoe anderzijds het politiek kader (van onderhandelingen) in het hele debat min of meer op de achtergrond raakte. Zoals de Waal terecht stelt zou het merendeel van de inspanningen immers naar dit aspect van de missie moeten gaan: “ Effective peace support is nine parts political work and community relations to one part force or the threat of force, but the Darfur debate has focused on force alone and not the politics of stability”. Het is dan ook maar zeer de vraag in hoeverre UNAMID perspectieven biedt om tot een alomvattende oplossing van het conflict in Darfoer te komen. Los van het voorgaande kan men zich bovendien ook nog de vraag stellen of de kleine 20.000 manschappen (volgens VN resolutie 1796 bedraagt de maximale sterkte van UNAMID wat betreft militair personeel 19.555 manschappen), ondanks hun relatief stevige mandaat, effectief in staat zullen zijn de bevolking tegen aanvallen te beschermen in een gebied ongeveer zo groot als Frankrijk (nvdr op 30 november 2007 zijn er welgeteld 229 geüniformeerden effectief op de grond in Darfoer (en onder UNAMID bevel): 227 politieofficieren en 2 militairen. Op 31 december 2007 wordt het commando van de Afrikaanse Unie (AMIS telt ca. 7.000 militairen en 1.200 politieagenten) ook overgedragen aan UNAMID). Het merendeel van de effectieve militairen zal bovendien – ten gevolge een compromis dat de hybride macht meer aanvaardbaar maakte voor de regering in Khartoem – vnl. uit Afrikaanse landen afkomstig zijn. Zullen Westerse landen in opvolging van hun stevige retoriek ook effectief bereid zijn de slecht uitgeruste Afrikaanse troepen logistiek en technisch te ondersteunen? Of is de kous wat hen betreft af? De publieke opinie kreeg immers de humanitaire interventie waarnaar het verlangde. We kunnen ons dan ook volledig vinden in het besluit van de Waal dat – zeker wanneer het aangelegenheden als oorlog en vrede betreft – op zijn minst voorzichtigheid en terughoudendheid geboden is:

Let us be very wary of developing any doctrine for humanitarian intervention. Any principle of intervention can readily be abused - as by the French in central Africa - or become a charter for imperial occupation. There may be cases in which imperial rule is the lesser of two evils, perhaps to end genocide (a current preoccupation) or to end slavery (a late 19th century one), but philanthropic imperialism is imperial nonetheless. As Harcourt noted, ethics can sometimes override law, and invasion, like revolution, can sometimes bring about a better state of affairs. But chasing the chimera of humanitarian intervention distracts us and impedes the search for real solutions to crises such as Darfur.

Thomas Bomans

dinsdag 11 december 2007

Darfoer: en de boer ploegde voort. Over een humanitaire catastrofe en botsende belangen.

Hoewel de burgeroorlog in Darfoer (Sudan) al ongeveer een kleine vijf jaren aan de gang is, wordt er eigenlijk internationaal nog niet zo lang aandacht aan besteed. Populaire liedjes zoals ‘Living Darfur’ van Mattafix of acties zoals die van Google waarbij men tracht het grote publiek te informeren omtrent de situatie in Darfoer - via Google Earth kan men immers terugvinden welke dorpjes allemaal afgebrand werden in het conflict (en informatie hierover) – lijken de mensheid terug een geweten te willen inschoppen. Begrijpelijk na het debacle van de Rwandese genocide in 1994, waarbij meer dan 500.000 doden vielen. De verontwaardiging omtrent de ontsporingen in Darfoer, zoals die bestaat bij het (grote) publiek, lijkt ingegeven te zijn vanuit een oprechte bekommernis omtrent de gevolgen van de burgeroorlog voor de lokale bevolking.

Op 31 juli 2007 wordt uiteindelijk, na lang gepalaver, de oprichting van een hybride vredesmacht (van de Afrikaanse Unie (AU) en de Verenigde Naties) door resolutie 1769 van de VN Veiligheidsraad goedgekeurd. Heeft de internationale gemeenschap dan toch geleerd uit het verleden? Zal UNAMID, met een mandaat om de bevolking en humanitaire transporten in geval van nood gewapenderhand te verdedigen, nog erger – er zijn immers volgens schattingen al van 200.000 tot 450.000 doden gevallen – kunnen voorkomen? Is de motivatie van de internationale gemeenschap om alsnog in te grijpen, te zoeken in een bekommernis omtrent de gevolgen van het conflict voor de bevolking of liggen er misschien andere drijfveren aan ten gronde? Hoewel een uiteenzetting van de geschiedenis van het conflict in Darfoer ons in deze blog te ver zou leiden (zie daarvoor bijv. de bijzonder uitgebreide bijdrage op de Engelstalige pagina’s van wikipedia over het conflict in Darfur: http://en.wikipedia.org/wiki/Darfur_conflict), is het in deze context bijzonder interessant de retoriek van de verschillende spelers op het wereldtoneel, maar ook hun onderliggende motivaties, eens onder de loep te nemen.

Volgende bijdrage van Al-Jazeera omtrent het conflict in Darfoer, lijkt de verklaring voor de interesse van de grootmogendheden in Darfoer alvast heel ergens anders te zoeken. Niet het lijden van de honderdduizenden al dan niet ontheemde inwoners van Darfoer, zou de oorzaak van de interesse van vele landen in dit conflict zijn, maar wel de enorme olie- en gasreserves die onder Soedanees grondgebied gevonden zijn.



Aangezien zowel de Chinese, als de Amerikaanse en Europese economieën energie verslinden, is het logisch dat de respectievelijke regeringen voortdurend op zoek zijn naar nieuwe bronnen die aangeboord kunnen worden om hun energievoorziening veilig te stellen. Voorlopig lijkt China evenwel als enige deftig voet aan grond te krijgen in Khartoum en bijgevolg ook als enige invloed te kunnen uitoefenen op Soedan.

Het mag dan ook niet verbazen dat China het voornaamste permanente lid van de Veiligheidsraad (naast Rusland) is, dat het Soedanese regime verdedigt tegen de Westerse aantijgingen van schendingen van het internationale en humanitaire recht.


Verscheidene pogingen om resoluties m.b.t. tot economische en niet-militaire sancties t.a.v. het regime in Khartoum goed te keuren, stootten de voorbije jaren dan ook in de VN Veiligheidsraad op een veto van China en/of Rusland. Resoluties die toch goedgekeurd werden gedurende de voorbije jaren, werden zwaar afgezwakt teneinde China en/of Rusland zo ver te krijgen zich te onthouden bij een stemming.

De bestaande resoluties ten spijt (zoals resolutie 1591 van 27 maart 2005 dat een bestaand wapenembargo uitbreidt met de mogelijkheid tot selectieve sancties), wijzen vele rapporten van internationale mensenrechtenorganisaties op de systematische schending ervan door o.a. net China en Rusland. Wapens en militair materiaal afkomstig uit voornoemde landen worden volgens deze organisaties immers voortdurend ingezet door zowel de regering als de Janjaweed milities (gewapend door de regering) om de strijd in Darfoer voort te zetten. Vliegtuigen die bombardementen uitvoeren zouden volgens sommige bronnen zelfs doelbewust wit geverfd worden (net zoals vliegtuigen van de VN), teneinde de bevolking en de actieve mensenrechtenorganisaties te misleiden.

Amerikaanse media laten om evidente redenen dan ook geen kans voorbij gaan om de rol en het aandeel van vnl. China in de massamoorden in Darfoer te becommentariëren. Volgende bijdrage van een Amerikaanse zender illustreert:



Beide bijdragen illustreren duidelijk dat China op het internationale toneel op een zeer slappe koord dient te balanceren waarbij het enerzijds zijn eigen belangen in Soedan dient af te wegen tegen anderzijds de internationale druk tot ingrijpen in het Oost-Afrikaanse land. De recente goedkeuring van de hybride vredesmacht UNAMID door zowel China als - nog belangrijker - de regering van Soedan zou kunnen wijzen op een koerswijziging in het Chinese beleid. Bij een eerdere goedkeuring van een niet-hybride VN vredesmacht (VN Veiligheidsraad Resolutie 1706) voerde China immers zwaar oppositie en wist het de resolutie volledig uit te hollen (en onthield zich vervolgens samen met Rusland en Qatar van de stemming). Bovendien weigerde Soedan, met de impliciete steun van China, toen immers ook resoluut de vredesmacht op haar grondgebied te laten opereren. De Soedanese regering verklaarde al snel dat zulk een actie beschouwd zou worden als een imperialistische inmenging van buitenlandse mogendheden in de interne keuken van Soedan. De dag na het stemmen van de resolutie intensifieerde het regime in Khartoem dan ook prompt de aanvallen op de verschillende rebellengroepen in Darfoer. Hoewel het momenteel nog afwachten is, of en hoe UNAMID effectief zijn autoriteit zal kunnen laten gelden op het terrein, kan de steun van China (de resolutie werd immers bij unanimiteit goedgekeurd) aan het stevige mandaat voor UNAMID gezien worden als een toegeving aan de internationale druk door landen als de V.S., Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Desalniettemin laat China zijn steun voor het Soedanese regime verre van vallen. Elke mogelijkheid om het vredesproces te vertragen wordt steevast gegrepen. Illustratief daarvoor is bijv. de commentaar op de houding van China in het slot van volgende bijdrage:


In en rondetafelconferentie op initiatief van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk (onderhandelingen in het kader van de oprichting van de hybride vredesmacht) zetten de Westerse landen China en Soedan onder druk door enerzijds te dreigen met ingrijpen in Darfoer (“Il faudra être ferme”), maar anderzijds worden er ook geluiden de wereld ingestuurd van economische compensaties indien Soedan bereid is mee te werken (“nous l’aiderons puisement”) (i.e. de tactiek van de ‘carrots and sticks’). Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat China een sleutelpositie bekleedt in de onderhandelingen om de impasse te doorbreken. Het feit dat China mee rond tafel zit, is in dat opzicht alleen al een overwinning voor de organisatoren. De Westerse landen drukken er tijdens de onderhandelingen dan ook op dat China zijn invloed moet aanwenden om het regime in Khartoem onder druk te zetten. Hoewel China publiekelijk nooit expliciet tegen Soedan zal pleiten, wat indachtig interne politieke kwesties als die van Tibet niet verbazingwekkend zal zijn, lijkt China evenwel toch te beseffen dat het niet houdbaar is het Soedanese regime ten alle koste te verdedigen. China dient immers ook rekening te houden met belangen op en in andere gebieden, waar de geopolitieke kaarten mogelijk anders liggen. Niet in het minst is China zich ook bewust van de gevoeligheid van de publieke opinie t.a.v. mensenrechten en de daaraan gerelateerde schendingen. Aangezien China op dat gebied zelf niet van elke kritiek gevrijwaard is, beseft men in Peking maar al te goed dat de rol van de media en de publieke opinie niet onderschat mag worden. De toegenomen media-aandacht voor het conflict in Darfoer zal daar zeker niet vreemd aan zijn.

We kunnen besluiten dat er achter het conflict in Darfoer veel meer schuilt dan de oppervlakkige mensenrechtenretoriek zoals die in bovenstaande bijdragen door de Westerse protagonisten graag in de media ten tonele gebracht wordt. Achter het conflict tussen enerzijds de verschillende rebellengroeperingen en anderzijds de centrale regering in Khartoem en de Janjaweed-milities in Soedan, schuilt veel meer dan een conflict om water, vruchtbare grond en inspraak in de eigen bodemschatten. Wanneer de kaart met olievoorraden over de kaart van het conflictgebied geschoven wordt, zal snel duidelijk worden dat er ook andere factoren meespelen. Zou het kunnen dat een gebrek aan kostbare bodemrijkdommen één van de redenen is waarom de internationale gemeenschap algemeen genomen terughoudend was om in te grijpen in Rwanda in 1994? Of heeft men lessen getrokken uit het verleden en is de huidige interesse van de Westerse machten wel degelijk te verklaren vanuit een oprechte bekommernis om het lijden van de burgerbevolking in Darfoer? Het mag in ieder geval duidelijk zijn dat er momenteel een machtsspel uitgestreden wordt in Soedan tussen enerzijds China (en Rusland) en anderzijds een blok van Westerse landen. Sommige landen zullen allicht wel degelijk gemotiveerd zijn om in te grijpen vanuit een oprechte aandacht voor de verzuchtingen van de publieke opinie, maar dat belet geenszins dat het mensenrechtendiscours ook ten dele handig gebruikt wordt om geopolitieke doelstellingen na te streven. Allicht zal het, zoals de geschiedenis wel vaker heeft uitgewezen, waarschijnlijk op een akkoordje gegooid worden waarbij geen van de geïnteresseerde partijen gezichtsverlies hoeft te lijden, waarbij de internationale oliemaatschappijen de concessies onder elkaar verdelen, het establishment in Khartoem ook haar deel van de winst opstrijkt en de inwoners van Darfoer, waar het gisteren nog allemaal om ging, hun dagelijkse strijd om te overleven simpelweg voortzetten… En de boer ploegde voort…


Thomas Bomans