Op deze blog is al heel veel gezegd en ik vind het heel moeilijk om nog een zinvolle inhoudelijke bijdrage te leveren. Vandaar deze eerder luchtige post op basis van een sprekend filmpje: http://nl.youtube.com/watch?v=kNe4GWxos2s waarin president Bush kop van jut is. Ook volgend fragment is de moeite waard http://nl.youtube.com/watch?v=whhbPVrb5KM
Tijdens de zoektocht naar een idee voor een post en een geschikt filmpje, kwam ik tot de vaststelling dat vele ‘youtubenaars’ het blijkbaar eens zijn over een aantal zaken omtrent het thema van deze blog. Ook doorheen de berichten van de studenten die mee aan deze blog gewerkt hebben, zit een gedeelde mening. Zo kunnen we stellen dat wanneer er zich een vorm van genocide voordoet, eender waar op deze aardbol, het onze morele plicht is om in te grijpen. Wat deze interventie moet inhouden staat dan wel ter discussie, de interventie op zich niet. Het is een vorm van gelegitimeerd paternalisme.
Van Dale omschrijft paternalisme als volgt: “… bevoogding. Het optreden van de overheid tgov. het volk, of van een overheersend volk in vreemd gebied (kolonie of vroegere kolonie) of van een gezaghebber als een vader of voogd die het goede met het volk, zijn kinderen of pupillen voorheeft, maar hun geen invloed van belang geeft op hun eigen aangelegenheden; …”
Om de één of andere reden achten we dit paternalisme ten aanzien van kinderen in de meeste gevallen normaal en wenselijk. Kinderen zijn te jong om voor zichzelf te bepalen wat goed is, dus doen ervaren volwassenen het in hun plaats. Ten aanzien van mensen met een handicap zijn we eveneens vaak geneigd deze gevaarlijke redenering te volgen. En ook in onze wet staan een aantal gerechtvaardigde paternalistische principes. Zo zijn we verplicht een autogordel te dragen. Waarom? Omdat we het anders eens zouden vergeten of het gewoon niet zouden willen en op deze wijze beschermt de staat ons tegen onszelf. Ook het verbod op zelfmoord is een vorm van paternalisme.
Paternalisme gaat om het opleggen van zaken die als inherent goed worden beschouwd. Uiteraard vormt paternalisme hierdoor een zeer problematisch begrip. Want wat is ‘goed’ en voor wie is goed ‘goed’? Is democratie goed? Is vrije meningsuiting goed? Is een dictatorschap slecht? Is vrijheid goed? …
Ook de mensenrechten zijn vanuit een paternalistische hoek te begrijpen. De mensenrechten worden als universeel goed beschouwd, dus waar deze geschonden worden mag, nee moet men ingrijpen.
Aan het andere uiteinde van het continuüm staat de zelfbeschikking, of in politieke termen, de soevereiniteit. Het concept slaat op het feit dat een staat zelf in staat is te beslissen wat goed voor haar is en dat geen andere staat zich hiermee dient te moeien.
Deze twee begrippen vormen het spanningsveld tussen interventie en non – interventie. Een aantal extremen buiten beschouwing gelaten (zoals bijvoorbeeld zware mensenrechtenschendingen), kan men uiteraard discussiëren, zoals op deze blog al meermaals naar voor is gekomen, over de rechtvaardigheid van vele paternalistische optredens van US. Wanneer ik zoektermen als ‘imperialism’, ‘democracy’, ‘freedom’, ‘intervention’, ‘humanitarain’, … aan youtube doorgaf, dan kwamen er heel veel filmpjes te voorschijn over Irak. Veel van deze beelden zijn zeer negatief over de oorlog daar (bv: http://nl.youtube.com/watch?v=dQwFjMa12GY ). Vooral de vele burgerslachtoffers staan vaak centraal.
http://nl.youtube.com/watch?v=kNe4GWxos2s Dit filmpje, heel kort maar heel krachtig, is me bijgebleven (en trouwens hilarisch pijnlijk…). President Bush moet antwoorden op de vraag wat ‘soevereiniteit’ betekent. Tot onze grote verbazing (?) slaagt hij hier echter niet in. De beelden spreken voor zich. Ik snap niet dat deze man tot twee keer toe tot machtigste man van de wereld verkozen is. Alle protest ten spijt over heel de wereld gevoerd, doet deze man blijkbaar waar hij zin in heeft, in naam van de vrijheid en democratie. Misschien is het tijd voor een paternalistisch optreden in het witte huis en de installatie van een goed bestuur? Of is een rechtvaardiging van een interventie niet mogelijk gezien we hier te maken hebben met democratische staat? Zou een rechtvaardiging van een interventie in het België dat maanden zonder regering zat mogelijk zijn geweest? Was België even een failed state waarin de rechten van de burgers beschermd diende te worden?
Er zijn duidelijk grenzen aan begrippen als democratie en vrijheid die ‘wij’ blijkbaar koste wat kost aan andere willen opleggen, maar zelf niet opgelegd willen krijgen.
Gerrit Muylaert
maandag 31 december 2007
This calls for an intervention!
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
13:52:00
0
comments
Labels: Gerrit Muylaert, Multimedia
woensdag 26 december 2007
Who should determine the just cause of humanitarian intervention?
Deze vraag vormt het thema van deze post, gebaseerd op het gelijknamige artikel van Manuela Aguilar.
De auteur start met de stelling dat de humanitaire interventie een uitdaging en eigenlijk een problematisch concept vormt voor de UN. De twee sleutelconcepten van de humanitaire interventie zijn immers de soevereiniteit van een staat enerzijds en de mensenrechten anderzijds. Beiden dienen gerespecteerd te worden en komen bijgevolg vaak met elkaar in conflict.
Binnen de UN vormt de veiligheidsraad met haar vijf permanente leden (de VS, Rusland, China, Frankrijk en GB), het orgaan met de grootste beslissingskracht omtrent het al dan niet overgaan tot de interventie. Zowel haar legale en morele autoriteit mag niet onderschat worden. Door de veto’s die gesteld kunnen worden door elk van de vijf permanente leden, kan het al dan niet overgaan tot de interventie beslist door één enkel land. Aguilar benadrukt hier terecht dat deze vijf permanente leden uiteraard (ook) gedreven worden door hun eigen nationale belangen en stelt zich de vraag wie of welk orgaan de macht zou moeten hebben ‘to determine the just cause of humanitarian intervention?’. Wie zou met andere woorden moeten bepalen of de schending van de mensrechten opweegt tegen het schenden van de soevereiniteit van de staat waar geïntervenieerd wordt? Ze gaat op zoek naar een antwoord zonder afbreuk te doen aan de veiligheidsraad. Ze zoekt naar een nieuw orgaan dat naast deze raad zou kunnen bestaan.
Op papier klinkt het simpel: wanneer een staat faalt in het beschermen van haar volk tegen mensenrechtenschendingen, dan heeft de internationale gemeenschap de (morele) plicht en het recht om te interveniëren. In gevallen als de genocide in Rwanda, om er maar één te noemen, lijkt het duidelijk. Maar ondanks alle signalen die in de richting wezen van een opkomende genocide, werd er toch niet ingegrepen. Dit maakt duidelijk dat zelfs wanneer de werkelijkheid zich op haar ‘zwartst witst’ mogelijke manier toont, de internationale gemeenschap er toch niet in slaagt om een ramp te voorkomen en dit zelfs niet probeert. Andere belangen dan het beschermen van de mensenrechten zijn dus, zoals al in vele andere posts op deze blog naar voren komt, in het geding.
Rwanda is natuurlijk een zeer duidelijk voorbeeld, maar zelden (hoewel?) doen zich zulke extreme situaties voor. Vaak is het veel moeilijker om te bepalen of een interventie gerechtvaardigd is of niet. Dan heb ik het puur over de menselijke, of zo u wil, humanitaire rechtvaardiging. De basisvraag in deze sterk gelegaliseerde wereld(orde) blijft: wie beslist en op welke basis wordt beslist om over te gaan interventie. Aguilar verwoordt het als volgt (p.19):
“We cannot accept in the 21st century that fundamental human rights are violated and that crimes against international humanitarian law are being committed on a large scale without consequences. From the ethical viewpoint, there is no way we can escape the moral obligation to act. The question remains, however, of who has the right authority to decide upon the action to be taken.”
Volgens Aguilar is het geen optie om de permanente leden van de veiligheidsraad uit te breiden, noch om hun het veto recht te ontzeggen. De bedoeling van deze constructie is immers geweest om het lidmaatschap tot de UN voor de supermachten aantrekkelijker te maken. Deze grootmachten zijn belangrijk, als was het enkel maar om hun financiële bijdragen. Door andere landen te betrekken lossen we, aldus Aguilar, ook niets op, gezien er dan nog meer nationale belangen in het geding zijn, waardoor het komen tot beslissingen alweer bemoeilijkt wordt. De auteur raakt in haar voorstel dan ook niet aan deze formule. De basis voor de beslissing om over te gaan tot een humanitaire interventie zou moeten liggen ‘rather in common than national interests’, daarom oppert Aguilar het idee om andere actoren, naast de veiligheidsraad, te betrekken in het beslissingsproces. Het idee kwam reeds tot leven in 1981, maar kende geen succes. De bedoeling toen, en van de hier besproken auteur, was en is:
“ … the creation of a multinational, independent and permanently established committee, financed by the United Nations and in charge of aiding the Security Council in the decision making process regarding humanitarian intervention,…”
(p.19)
Dit comité moet zo objectief mogelijk de veiligheidsraad informeren over de oorzaken en de context van het desbetreffende conflict, alsook haar advies geven over welke stappen ondernomen moeten worden en welke de mogelijk effecten zullen zijn op de bevolking in kwestie. De leden van het comité zouden niet komen uit sterk politiek getinte milieus (om het accent op de nationale belangen van de actoren te beperken), maar eerder uit organisaties die reeds heel wat expertise hebben opgebouwd omtrent de verschillende problematieken, zoals Amnesty International, het internationale rode kruis enzovoort. Eveneens moeten experten op het vlak van internationale wetgeving geraadpleegd worden, alsook van de verschillende UN commissies.
De drie grote functies van het comité zouden zijn:
1. “It would possess sufficient moral power, and possibly support from the General Assembly, to exert pressure on the Security Council to overcome the inertia and indecision that has characterized its decision-making process ever since the failures of the peacekeepers in Somalia and Yugoslavia.”
2. “By providing the Security Council with objective information on the impact of humanitarian intervention on a specific conflict, it would at least force the Council to publicly explain and justify decisions taken against the counsel of the Committee, thus curbing to a certain extent the tendency of Security Council members to take decisions according to their diplomatic, economic or strategic preferences.”
3. “Finally, it would contribute to a more informed decision making process in itself.”
(p.20)
Aguilar stuurt aan op de creatie van een ‘internationale morele maatschappij’, wat ik persoonlijk een nobel doel acht. De vraag is echter of dit comité echt de gewenste (morele) autoriteit krijgt van de veiligheidsraad.
Ik heb dit artikel gekozen omdat ik zeker meega in de redenering van een Bricmont die stelt dat we een stap terug moeten gaan en ons in de eerste plaats de vraag stellen of interventie an sich wel gerechtvaardigd kan worden. Hoewel hij de vraag kreeg tijdens het gastcollege wat dan te doen bij een situatie als Rwanda in 1994, heeft hij hier naar mijn gevoel niet echt op geantwoord. Hij repliceerde dat hij dit een ander situatie is en dat er dan zeker moet geïntervenieerd moet worden. Hij argumenteerde zelfs dat dit in Rwanda ook effectief gebeurd is. Hij had het over operation Turquoise door de Fransen. Het klonk mij een beetje als: er is toen wel degelijk ingegrepen, dus zaag niet. (bijna een miljoen slachtoffers ten spijt …)
Waar ik eigenlijk wil toe komen is dat Bricmont een punt heeft, maar dat hij enigszins voorbij gaat aan de werkelijkheid. Hij voert een betoog over discourses en niet over concrete situaties. Uiteraard moeten we ons vragen stellen bij onze vanzelfsprekende vooronderstellingen, maar langs de andere kant kunnen we er niet onderuit dat situaties als Rwanda zich al meermaals hebben voorgedaan en dat we, hier volg ik Aguilar volledig, in zulke situaties een morele plicht hebben om in te grijpen. Dus, ondanks het interessante bestoog van Bricmont, wat te doen in zulke situaties en waar trekken we de grens? Wat ik zo goed vind aan Aguilar is dat zij met een alternatief op de proppen komt. Een alternatief dat waarschijnlijk nog moet bijgeschaafd worden, maar dat naar mijn mening wel het proberen waard is.
Bron: Aguilar, M. (2005). Who should determine the just cause of humanitarian interention? Social Alternatives, 24 (3), 17 – 21.
Gerrit Muylaert
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
13:49:00
1 comments
Labels: Gerrit Muylaert, Wetenschappelijk
zondag 23 december 2007
Meneer, u steunt het goede doel toch ook?
Meneer, u steunt het goede doel toch ook?
Ik zal het in deze post niet hebben over concrete humanitaire interventies. Ik zal, geïnspireerd door Bricmonts gastlezing, het hebben over een discours. Het zal niet enkel over humanitaire interventies gaan, maar ook over andere concepten als hét goede doel, vrijheid, democratie, participatie, … .
Twee kleine anekdotes ter inleiding.
Onlangs zag ik op tv ‘steracteur sterartiest’ waarin elke kandidaat een goed doel ‘representeert’. Volgend stukje vind je terug op de site www.een.be/steracteursterartiest :
“Het is de kijker die alles in handen heeft: hij beslist wie doorgaat naar de volgende aflevering én wat die zal zingen! Elke stem van de kijker is goed voor 10 eurocent. Die gaat naar het goede doel van de acteur op wie hij stemde. De acteurs doen er dan ook alles aan om de kijkers te charmeren, verbazen en ontroeren!”
Enkele van de goede doelen in dit programma zijn: lokalen voor de chirojongens uit Merksem, de vereniging voor bos in Vlaanderen, Greenpeace, de mobiele school, de landelijke jeugddienst Habbekrats, de Cliniclowns, UNICEF, Autistem, het natuurhulpcentrum en zo voort en zo verder. U merkt het, voor elk wat wils. Jammer genoeg kan slechts één de winnaar zijn en dus wordt er gestreden om welk goede doel het goedst is. De kijker heeft alles zelf in handen: wie wordt geholpen (en wie niet?). Ach we kunnen niet alles in één keer willen, het belangrijkste is immers dat hét goede doel centraal staat.
Nog niet zo lang geleden liep ik langs de Hema in gent bij de korenmarkt en er stond een stalletje opgesteld met wat verklede mensen die allerlei zaken aan het doen waren. Het bleek een actie voor het populaire ‘music for life’ programma op Studio Brussel te zijn. Ook hier gaat het om hét goede doel. In dit geval drinkwater. Plots staat drinkwater weer op de agenda van de mensen en zie je allerlei gulle gevers die, nu het toch even kan, hierbij graag eens even op de radio komen en één en ander over zichzelf of de organisatie waar het geld vandaan komt, willen vertellen. Ik zette mijn wandeltochtje voort langs de music for life actievoerders en twintig meter verder zat een vrouw met haar baby op straat te bedelen. Het was iets van – 2°. Het was frappant, rond de music for life studenten stond veel enthousiast volk, terwijl de vrouw in de kou bleef staan. Dit goede doel stond namelijk even niet op de agenda van het vrijgevige Vlaanderen waarvan tussen haakjes het empathisch vermogen tijdens de kerstperiode uiteraard net iets hoger ligt dan tijdens de overige 50 weken van het jaar. Nu ja, we kunnen niet alles ineens willen zeker?
Het is niet de bedoeling deze programma’s, die tot op zekere hoogte en voor bepaalde doeleinden veronderstel ik wel nuttig zouden kunnen zijn, te beoordelen of af te kraken, het gaat mij meer om enkele onderliggende zaken. In beide gevallen wordt een abstractie gemaakt van hét goede doel. Wie steunt er nou niet het goede doel, het is immers ‘goed’, niet? Je kan bijna stellen dat het ‘in’ is en populair om iets voor hét goede doel te doen. De verschillende goede doelen worden zelfs tegenover elkaar uitgespeeld, er wordt reclame over gemaakt, het worden (markt)producten.
‘Meneer, u steunt hét goede doel toch ook?’
Uiteraard.
Hét goede doel is verworden tot een discours waar mensen zich geen vragen meer bij stellen. Dit is volgens mij het gevaarlijke van de zaak en bijgevolg ook de kern van deze post.
Er zijn zo nog vele andere concepten die aan dezelfde ziekte lijden. Zo denk ik bijvoorbeeld aan democratie, goed bestuur, participatie, mensenrechten, reconciliation, maar ook aan humanitaire interventie. Of interventie tout court? Het zijn termen die inherent ‘goed’ worden geacht, waar bijgevolg geen of toch heel weinig vragen bij gesteld worden. Ook ‘ontwikkeling’ is zo een concept. Uiteraard zijn we allen voor ontwikkeling, maar wat houdt dit in, hoe bereiken we het, met welke middelen, met welke kosten, ontwikkeling voor wie?
We zijn a-priori voor de humanitaire interventie, omdat deze levens redt, dictators in de gevangenis werpt, vrijheid en democratie installeert, kortom omdat ze ontwikkeling brengt. Het gaat hierbij echter steeds slechts om een discours, het gaat niet over de concrete handelingen.
De humanitaire interventie is inherent goed, wat je dan ook van plan bent te doen. Dit en de vele andere concepten hierboven opgesomd worden geabstraheerd. Ze worden toegepast en opgedrongen zonder rekening te houden met de context, historiciteit, de verschillende belangengroepen, …
Het is belangrijk om ons vragen te blijven stellen over de concrete invulling van de verschillende concepten. Letermes woordenboek staat bijvoorbeeld vol met goed bestuur, verantwoordelijkheid opnemen, de wil van de kiezer respecteren, een mandaat opnemen, … Ondanks dat hij deze concepten nooit concreet heeft ingevuld was hij wel de grote winnaar van de afgelopen verkiezingen. Een teken volgens mij dat we ons te weinig vragen stellen bij het gevoerde discours.
We kunnen de discussie ook verplaatsen naar het actuele ontwikkelingsdenken, waar de term ‘participatie’ zeer hoog in het vaandel wordt gedragen. Molenaers en Renard (2007) maken de zeer terechte opmerking dat participatie vruchtbaar kan zijn, doch ook soms negatieve gevolgen kan hebben. Het hangt immers af van de context waarin het geabstraheerde begrip wordt gedropt.
Dat we ons vragen moeten blijven stellen bij het discours rond humanitaire interventie en al wat daarmee verband houdt, leren we uiteraard van onze vriend George W. Ik denk dat hij als geen ander heeft getoond hoe door een bepaald discours te voeren, de concrete invulling van de gelegitimeerde acties niet meer in vraag worden gesteld en andere agenda’s nagestreefd kunnen worden.
Het is echter belangrijk te beseffen dat een interventie niet a-priori gelegitimeerd is door ze humanitair te noemen.
Het goede doel is goed, daar bestaat geen twijfel over, wat het doel dan ook moge zijn?
Bronnen:
Molenaers, N. & Renard, R.(2007). Ontwikkelingshulp faalt: is participatie het redmiddel? Leuven: Acco.
www.een.be/steracteursterartiest Laatst geraadpleegd op 23/12/2007.
Gerrit Muylaert
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
17:02:00
12
comments
Labels: Gerrit Muylaert, Populair