Bespreking van het artikel: Humanitarian Wars and Associated Delusions door Paul de Rooij, uit: CounterPunch, 14 augustus 2007
In dit artikel overloopt de Rooij het boek Impérialisme Humanitaire van Jean Brickmont en maakt hij daarbij enkele kritische bedenkingen. De Rooij begint zijn uiteenzetting met duidelijk te maken dat in Westerse landen, het brede publiek gelooft dat hun maatschappijen beter zijn en dat het beleid van Westerse regeringen nobel en vrijgevig is. Hij wil dit geloof ontkrachten door een aantal zaken duidelijk te stellen. De Westerse landen voeren wel degelijk oorlogen die niet zo uitgaan van nobele principes en bezorgdheid om de andere, maar enkel uit eigenbelang. Er worden echter valse redenen en argumenten als verantwoording gebruikt. Men klampt zich vast aan redenen als het promoten van democratie, vrijheden, mensenrechten, rechten van de vrouw en soms zelfs religieuze vrijheden, om hedendaagse interventies te motiveren. De Rooij ziet een begin van dergelijke hypocritische drogredenen bij de oorlogen in Ex-Joegoslavië, waar het veiligstellen van mensenrechten en het verbeteren van humanitaire omstandigheden één van de belangrijkste redenen voor interventie waren. Maar voor de Rooij zijn deze valse voorwendselen nog niet het ergste. Parallel met Brickmont benadrukt hij het negatieve effect ervan op de linkervleugel van de Westerse samenlevingen. Ze benadrukken dat deze logica van ‘Humanitaire oorlogen’ misleidt, en dat het er in slaagt een deel van het linkse politieke spectrum mee te krijgen in een ‘imperialistisch’ project. Juist datgene waartegen het politieke links lijnrecht tegenover stond.
Voor de Rooij is een belangrijk punt dat Brickmont in zijn boek maakt dat deze logica van humanitaire interventie als doel heeft voorbij te gaan aan internationale bepalingen en internationaal recht. Doordat men spreekt over humanitaire crisissen, benadrukt men de noodzaak snel te handelen, zodat er klaarblijkelijk geen tijd is voor discussies binnen kaders zoals dat van de VN. Zo zetten de Verenigde Staten opnieuw een stap naar het uithollen van de legitimiteit van de VN. Voor de Rooij en Brickmont is het onrustwekkend dat deze ‘demagogische’ truck door de belangrijkste mensenrechtenorganisaties en linkse groeperingen niet is ontmaskerd. Het aanvaarden van de zogezegde verantwoordingen voor humanitaire oorlogen is desastreus voor de geloofwaardigheid van de anti-oorlogsbewegingen. De linkse groeperingen in het Westen zijn steeds tegen dergelijke interventies in de Derde Wereld geweest. Maar, zoals Brickmont het stelt, heeft bij het einde van de jaren 1990 de humanitaire interventie-ideologie meer en meer van deze groeperingen overtuigd. De anti-oorlogs retoriek van de linkse groeperingen is vaak onduidelijk en zwak gebleken. De Rooij stelt dat Brickmont in zijn boek een aantal duidelijk anti-oorlogsargumenten naar voor brengt.
De Rooij stelt zich dan natuurlijk de vraag, wat de echte redenen voor hedendaagse oorlogen en zogenaamde humanitaire interventies dan zijn. Hij haalt hierbij de bevinding van Brickmont aan, die in zijn boek stelt dat één van de redenen voor oorlogen vandaag is toegang tot grondstoffen en markten te behouden. Dit argument hangt samen met de stelling dat de meeste Westerse landen hun economische ontwikkeling voornamelijk te danken hebben aan toegang tot goedkope middelen. Voor de Rooij en Brickmont is het duidelijk dat de meeste interventies bedoeld zijn om deze toegang te vrijwaren.
De Rooij vindt wel dat er een aantal elementen ontbreken in het boek van Brickmont. Deze laatste vermeldt namelijk niet dat er humanitaire crisissen zijn geweest die humanitaire interventies hebben uitgelokt, maar dat er ook zijn geweest waarbij er nauwelijks op gereageerd is. De Rooij vindt dat Brickmont in zijn boek beter de gevallen waar interventies wel degelijk andere motivaties meespeelden, had moeten aanhalen.
Verder gaat de Rooij in op de interventie in Darfour. Hij vindt dat Brickmont dit geval niet uitvoerig genoeg bespreekt en dat door naar deze concrete situatie te kijken, men lessen kan trekken uit waarom men zich moet hoeden voor humanitaire interventies. Het komt er op neer dat de Verenigde Staten als doel hebben Soudan aan te pakken om redenen die niets te maken hebben met de humanitaire situatie. Zo wil de VS bijvoorbeeld ook de Darfour kwestie in het licht brengen om de aandacht af te wenden van andere interventies, zoals in Irak of Afghanistan. Een andere reden kan zijn om eveneens de aandacht van de situatie in Israël af te leiden, door een toestand naar voor te brengen waar het veel erger aan toe gaat. Dit was duidelijk het geval in 2006, waar bij het einde van de oorlog tussen Israel en Libanon opnieuw een impuls werd gegeven om de situatie in Darfour naar de voorgrond te brengen. Dit om in nasleep van de oorlog in Libanon de aandacht op iets anders te vestigen.
Brickmont pleit in zijn boek voor het verwerpen van interventie. Volgens de Rooij zou dit positieve gevolgen hebben op conflicten, meer bepaald door locale dialoog op gang te brengen en een oplossing voor het conflict dichter bij brengen.
De Rooij merkt ook op dat het leger eigenlijk nooit bedoeld is voor humanitaire interventies, maar voor het verdedigen van de belangen van de staat in kwestie. Voor hem is het verkeerd het leger te gebruiken om bepaalde humanitaire interventies uit te voeren. Het is ook zo dat alleen interventies waar bepaalde machten een voordeel denken uit te halen, worden uitgevoerd. Hierdoor is het duidelijk dat het humanitaire discours enkel dient om de achterliggende bedoelingen te maskeren.
Van Rooij komt tot volgende conclusies:
- Het aanvaarden van de ideologie van humanitaire interventie heeft een schadelijk effect gehad op wat er overbleef van de linkse stroming in het Westen. Het is deze stroming die zou moeten ingaan tegen de imperialistische acties van voornamelijk de VS en Groot-Brittannië.
- Brickmont slaagt er in het hypocriete, humanitaristische discours te ontmaskeren en op te roepen tot het afkeuren van elke humanitaire interventie.
Persoonlijk vind ik dat deze bovenstaande stellingen zeker juist zijn. Het zou zeer naïef zijn te denken dat de internationale grootmachten zo bekommerd zijn om humanitaire crisissen, terwijl de geschiedenis aantoont dat dit nooit echt het geval is geweest. Er zijn altijd achterliggende redenen en situaties waar de grootmachten voordeel uit zien te halen. De retoriek van humanitarisme is dus totaal niet op zijn plaats. Kan men anderzijds zeggen dat men niets moet doen en bepaalde ontspoorde situaties gewoon moet laten gebeuren. Neen. Ik denk dat in sommige gevallen een soort van interventie wel nuttig kan zijn. De vraag is echter, wanneer is een interventie verantwoord. Wanneer handelt men zonder dat men daar een bepaald voordeel uit denkt te halen?
Charles-Henry Van Cappellen
maandag 31 december 2007
Humanitaire oorlogen
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
16:49:00
0
comments
Labels: Charles-Henry Van Capellen, Populair
zondag 30 december 2007
Changer le monde, c'est possible!
In tegenstelling tot Jean Bricmont die, op 12 december te Gent, pleitte tegen interventies en een pessimistischer beeld schiep over ontwikkelingssamenwerking, laat Riccardo Petrella een meer optimistische en meer geëngageerde wind waaien in het debat rond humanitaire ingrepen. Er zou wel degelijk iets kunnen worden gedaan aan de armoede en het geweld in deze wereld: de weg lijkt er te zijn, maar enkel de wil ontbreekt tot nu toe. De sleutel tot een betere wereld, ligt volgens Petrella bij de machtige mensen op deze aardbol. Eens zij de politieke wil demonstreren om daadwerkelijk iets te doen tegen armoede en geweld, kunnen de Milleniumdoelstellingen zonder probleem worden behaald.
Petrella schreef dit artikel naar aanleiding van een samenkomst in juli 2005 van de leiders van de acht machtigste landen, die gepaard ging met tevergeefse manifestaties tegen armoede in de wereld.
In ieder geval ontbreekt het, volgens Petrella, de Westerse beleidsmensen niet aan de nodige goede voornemens, hoe luidt dat spreekwoord over goede voornemens ook al weer…? Zo werd in 1974 aangekondigd dat er in 2000 geen armoede meer zou bestaan op deze wereld. Daar moest de humanitaire hulp, zo groot als 0,7% van het BNP van deze rijke landen, voor zorgen. Dit enthousiasme groeide sterk bij de val van Rusland, dé vijand van het Westen en, volgens datzelfde Westen, ook van de wereldvrede. Nooit zou er nog geld verspild moeten worden aan het onderhouden van legers, voortaan zou het kunnen worden geïnvesteerd in het een beter leven geven aan arme mensen.
Maar ondertussen weet iedereen dat deze optimistische voornemens totaal niet in daden zijn omgezet. Sterker nog, de situatie is zelfs verslecht ondertussen: bijna de helft van de 6 miljard mensen op deze planeet leeft in armoede. Maar dus waren het volgens Petrella niet de doelstellingen die onhaalbaar hoog laten. Nee, het zijn de Westerse machthebbers én de elites in arme landen die hun woord hebben gebroken. Meer nog, door hun beleid dat enkel gericht is op geldbejag en macht hebben ze oorzaken van armoede in de hand gewerkt. Belangrijk is dat Petrella ook de elite in arme landen met de vinger wijst. Want George W. Bush is niet de enige egoïst op deze wereld, denken we maar aan de desastreuze gevolgen van het patrimonialistische bewind van Mobutu in Congo.
De armen zijn niet enkel arm, ook van de vredesbeloftes kwam er niets in huis. Vooral in het Midden-Oosten en op vele plaatsen in Afrika zijn er oorlogen aan de gang. Bovendien raakt sinds 9/11 de wereld opnieuw verdeeld tussen twee machten, namelijk het Westen en 'het terrorisme' in al zijn verschijningsvormen. Zolang er niet wordt afgestapt van het idee dat er door oorlog te voeren vrede kan worden bekomen, zal er nooit vrede zijn.
In het kader van de globalisatie is het volgens Petrella meer en meer ieder voor zich. De dominanten op deze wereld geven het signaal aan de gedomineerde armen dat het hun lot is om arm te zijn. Het 'ons'-gevoel maakt steeds vaker plaats voor het 'ik'-gevoel, en dit in competitie met de ander voor essentiële goederen en diensten. Desalniettemin zijn zo goed als alle regeringen, religieuze gemeenschappen, NGO's, enzovoort, akkoord gegaan met de Milleniumdoelstelling om tegen 2015 de extreme armoede te halveren. Petrella vindt dit niet kunnen, volgens hem is dit helemaal niet ambitieus en gaat het voorbij aan de rechten en de waardigheid van de 2,8 miljard armen. De wereldleiders verzaken volgens hem aan hun politieke en ethische verantwoordelijkheid.
Petrella haalt zwaar uit naar Bush zijn War on Terror. Via die oorlog proberen vrije en democratische gemeenschappen hun cultuur van overvloed en overdadige consumptie te beschermen tegen een terroristische wereld. De woorden vrije, democratische, en terroristische, plaatst Petrella tussen aanhalingstekens, waarmee hij wil zeggen sterk te twijfelen of bijvoorbeeld de VS wel zo vrij en democratisch is en of de wereld er wel zo erg aan toe is dat er overal terroristen rondlopen. Petrella pleit voor andere manieren dan oorlog voeren om tot oplossingen te komen in deze context.
Petrella maakt verder brandhout van de Amerikaanse gedachte dat hun symbolen de absoluut juiste zijn en door de hele wereld moeten worden overgenomen. De "vrijheid" van handel en consumptie, binnen het kader van strenge regels van o.a. de Wereldbank en het IMF, is volgens het Westen een must voor iedereen en diegenen die weigeren zich hieraan over te geven, moeten worden bevochten. Petrella spreekt in dit betoog trouwens nooit over Bush of de VS, hij heeft het enkel over het Westen, alsof hij de vijand niet rechtstreeks wil aanvallen, hij is dan ook een regelrechte pacifist... Aan de andere kant kunnen we ons in Europa de vraag stellen of we zelf niet al te veel boter op het hoofd hebben en voorbij gaan onze verantwoordelijkheid in deze ongelijke wereld.
In wat vooraf ging heeft Petrella zijn punt gemaakt waar hij tegen is. Maar hij heeft ook een duidelijk idee waar hij voor de volle honderd procent achter staat. Op het eerste zich klinkt zijn idee wat overdreven ideologisch en bijna naïef, maar waarschijnlijk zullen we uiteindelijk toch die weg moeten opgaan als we de armoede en het geweld willen terugdringen. Petrello pleit namelijk voor het illegaal verklaren van armoede. Hij maakt een vergelijking met de slavernij, die net als de armoede vandaag, eeuwenlang werd gezien als onvermijdelijk, maar ondertussen officieel bij wet illegaal verklaard is. Voor de E.U. zou dit bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld de strategie "van Lissabon", waarin de ambitie wordt geuit om van de Europese economie tegen de 2010 de meest competitieve te maken van de wereld, moét worden vervangen door maatregelen die samenwerking in de hand werken en de armoede in de wereld doen verminderen. Het is niet nodig om een volgende intergouvernementele conferentie over armoede af te wachten. Er kunnen nu al op lokaal vlak initiatieven worden genomen om in te gaan tegen de liberalisatie en privatisering, tegen bijvoorbeeld genetisch gemodificeerde gewassen, en voor het ter beschikking stellen van drinkbaar water voor alle mensen als een universeel mensenrecht.
Wat betreft het bereiken van vrede en het voorkomen van verdere oorlogen, pleit Petrella ervoor dat alle hulpbronnen zoals lucht, water, energie, bos, kennis, biodiversiteit, gezondheid, onderwijs, financiële stabiliteit, enzovoort, beschikbaar moeten zijn voor alle mensen op deze wereld. Om dit te verwezenlijken stelt bij voor om een globaal politiek apparaat op te richten dat zich bezighoudt met mensen in plaats van met naties. Zo stelt hij voor om de Verenigde Naties om te vormen tot 'mondiale organisatie voor de mensheid'. Het is tijd om de alleenheerschappij en het imperialisme voorgoed voorwel te zeggen en te bouwen aan een samenleving met een sociaal contract dat door iedereen ondersteund wordt op basis van waardigheid, recht, vrijheid en vrede.
Dit betoog van Petrella is waarschijnlijk leuk om te lezen voor iedereen die menslievende gevoelens koestert, het geeft een beetje hoop, en 'hoop doet leven' wordt gezegd. Mochten alle mensen op deze wereld zelfs maar een beetje zijn mening delen, waren de problemen van armoede en geweld onmiddellijk vanzelf opgelost. En daar ligt volgens mij net het probleem: de wereld bestaat niet enkel uit pacifisten, maar ook uit ruziemakers, egoïsten en materialisten, kortom 'mensen' als George W. Bush. Wel deel ik zijn mening dat om armoede uit te roeien er een soort internationaal platform en wettelijk kader zal moeten worden gecreëerd zodat geen enkele overheid of organisatie zich nog kan verschuilen achter uitvluchten om een beleid te voeren dat werkelijk een positief verschil maakt voor de armen en niet enkel voor de rijken.
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
12:18:00
0
comments
Labels: Chris Claes, Populair
zaterdag 29 december 2007
No such thing as humanitarian intervention: why we need to rethink how to realize the ‘Responsibility to Protect’ in wartime.
De auteur van dit artikel, Alex de Waal, is in zijn hoedanigheid als onderzoeker, schrijver en activist m.b.t. Afrikaanse zaken, goed vertrouwd met de problematiek van humanitaire interventie, in het bijzonder in de Afrikaanse context. In 1992 nam hij ontslag bij Human Rights Watch toen deze mensenrechtenorganisatie openlijk de interventie van de Amerikaanse overheid in Somalië steunde. Momenteel is hij verbonden aan de universiteit van Harvard in het kader van het ‘Global Equity Initiative’. Hij is daarnaast ook directeur van de ‘Social Science Research Council program on AIDS and social transformation’. Tot slot is hij ook nog directeur van ‘Justice Africa’ in Londen.
In eerste instantie tracht Alex de Waal in hoger vermeld artikel het concept van humanitaire interventie - en zijn jongste broertje, het concept van ‘responsibility to protect’ (R2P) - te kaderen binnen het internationale recht en in verband te brengen met het gangbare ethische principe van de zogenaamde ‘just war’ of ‘rechtvaardige oorlog’. Vervolgens zal hij aan de hand van concrete praktijkvoorbeelden het al dan niet succes van humanitaire interventie en de problemen die daarbij komen kijken toelichten. Tot slot zal de Waal besluiten dat men humanitaire militaire interventie niet mag verwarren met andere gerelateerde begrippen en moet het steeds duidelijk zijn dat pleiten voor een humanitaire militaire interventie, hoe men het ook draait of keert, in feite steeds neerkomt op een roep om een – soms weliswaar ‘rechtvaardige’ – oorlog.
(…) perhaps because of the implication that ‘humanitarian’ actions are above criticism, and because the reality of war is clouded by the euphemism ‘intervention’, there has been too little comparative and historical analysis of the topic. Still less have recent humanitarian interventions been studied as instances of aggressive war - albeit arguably “just war”.
In het verlengde van dit alles wordt momenteel binnen de internationale gemeenschap en de Verenigde Naties druk gedebatteerd over de nieuwste creatie binnen de familie van de humanitaire interventies. Met het zogenaamde principe van ‘Responsibility to Protect’ (R2P) (cfr. infra) lijkt een nieuw hoofdstuk geschreven te worden en is het moment aangebroken om de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om van een rechtmatig humanitaire interventie te kunnen spreken, vast te leggen en te codificeren. In het debat komen enerzijds uitgebreid de plichten van een soevereine staat m.b.t. tot de bescherming van de rechten van zijn onderdanen aan bod en – in geval een staat deze rechten niet kan of wil beschermen – anderzijds de houding dewelke de internationale gemeenschap dient aan te nemen. Meer in het bijzonder staat de vraag centraal welke de al dan niet interveniërende rol van de internationale gemeenschap kan/moet zijn in het geval bepaalde staten hun ‘verantwoordelijkheid om te beschermen’ niet kunnen/willen waarmaken (het mag alvast wel duidelijk zijn dat dit dan gaat over interventie in kleinere landen; er is geen twijfel mogelijk dat interventie in Tsjetsjenië, Tibet of andere conflicten waarbij grootmachten betrokken zijn, uitgesloten is). De Waal wijst in dit verband evenwel terecht op het feit dat de ware aard van een effectieve (militaire) humanitaire interventie (in relatie tot bijv. een klassieke peacekeeping operatie) niet uit het oog verloren mag worden:
There is no such thing as humanitarian military intervention distinct from war or counterinsurgency. Intervention and occupation should not be confused with classic peacekeeping, which is difficult enough even with a ceasefire agreement and the consent of the parties. If we want an intervention to overthrow a tyranny, protect citizens from their own government, or deliver humanitarian aid during an ongoing conflict, we should be honest with ourselves - we are arguing for a just war. And if we wish to make this case, let us be clear that the war is political (and must be very smartly political to succeed); that military logic will dictate what happens (including probable escalation and various unpredictable factors); and that it will entail bloodshed including the killing of innocent people.
In zijn artikel haalt de Waal een heel aantal voorbeelden uit de jaren ’90 aan die de moeilijkheden en problemen in de praktijk van de humanitaire interventie kunnen illustreren. Aangezien zulke voorbeelden in het kader van deze blog meermaals ter sprake kwamen/komen, zal ik in het kader van deze bijdrage niet uitgebreid op ingaan, maar ze toch even kort aanraken:
- De organisatie van een ‘safe-haven’ in Iraaks Koerdistan na het einde van de eerste golfoorlog: hoewel deze operatie enerzijds humanitair van aard was – de operatie beschermde effectief de Koerden tegen aanvallen en gaf hen bovendien enige politieke ruimte –, mag anderzijds het belang van bepaalde betrokken partijen ook niet uit het oog verloren worden. De interventie voorkwam dat Turkije (een NAVO-lidstaat) honderdduizenden Koerdische vluchtelingen diende op te vangen. Ook mag het zeer duidelijk zijn dat deze interventie volledig in het kader van de militaire en politieke campagne van de VS tegen het regime van Sadam Hoessein gezien moet worden.
- Operatie ‘Restore Hope’ in Somalië: aanvankelijk werd deze operatie (met VN goedkeuring) opgezet vanuit een strikt humanitair oogpunt. De dunne scheidingslijn tussen een humanitaire interventie en een militaire interventie zou echter snel blijken toen een aantal Black Hawk helikopters van het Amerikaanse leger werden neergeschoten. Snel na deze gebeurtenissen werd de beslissing genomen over te gaan tot een grootschalige militair ingrijpen (in VN kader). Op het moment dat deze beslissing genomen werd, kwam er echter eveneens een eind aan het humanitaire karakter van de interventie.
- Het fiasco in het kader van de Rwandese genocide in 1994: dit geval is volgens de Waal complexer dan de voorgaande gevallen. Hoewel de VN commandant Dallaire er in Kigali in slaagde een paar duizend Tutsi’s te redden van een gewisse dood, had hij met het juiste mandaat en meer troepen misschien veel meer kunnen bereiken. Echter, de roep van velen om te interveniëren om zowel de slachtingen als de oorlog te stoppen, zou volgens de Waal – indien zulk een grootschalige interventie effectief plaatsgevonden zou hebben – misschien wel eens een pervers contraproductief effect gehad kunnen hebben. Immers, net het snelle oprukken van de ‘rebellen’ van het ‘Rwandese Patriottische Front’ leidde ertoe dat de massamoorden geleidelijk aan verminderden en stopten. De goedkeuring van een VN resolutie die tot een staakt-het-vuren zou oproepen zou, net door het afremmen van deze opmars, het perverse effect kunnen hebben dat het de massamoorden ongewild zou verlengen.
- Operatie ‘Turquoise’ van Frankrijk gedurende de laatste dagen van de genocide in Rwanda: Frankrijk bekwam een VN resolutie die een zogenaamde humanitaire operatie in West-Rwanda goedkeurde. Echter, de ware aard van de operatie was relatief doorzichtig; i.p.v. humanitair van aard was de operatie een ultieme politieke daad van Frankrijk om middels deze resolutie een stuk grondgebied te vrijwaren voor het genocidale regime dat ondertussen in volledig diskrediet geraakt was in de internationale gemeenschap (cfr. het ingrijpen van Frankrijk in Oost-Congo en de rol van Frankrijk in het uitbreken van de oorlog in Oost-Congo).
- De oorlog in Bosnië en later in Kosovo: oorspronkelijk besloot de NAVO in te grijpen zonder VN goedkeuring (later zou deze evenwel in min of meerdere mate volgen). In beide gevallen was het immers snel duidelijk dat de politieke belangen (nabijheid van het conflict, veiligheid, etc.) de wettelijke obstakels ver achter zich zouden laten. Als het er op aankomt primeert de politiek dus nog steeds overduidelijk op de internationale wetgeving. Ondanks humanitaire debacles als dat van Srebrenica, stelt de Waal dat operaties als die in Bosnië en Kosovo als voorbeeld genomen kunnen worden van interventies met een ‘meer positieve uitkomst’ (want de oorlog kwam in beide gevallen tot een einde). Zoals de Waal citeert was de uiteindelijke uitkomst volgens de Bosnische president Izetbegovic niet rechtvaardig, maar in ieder geval “(…) more just than continuing the war”. De Waal gaat verder: “The bombing was, in short, an act of war (politics by other means) that succeeded in bringing about a better (or at least less bad) state of affairs.”
Let us be very wary of developing any doctrine for humanitarian intervention. Any principle of intervention can readily be abused - as by the French in central
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
04:11:00
1 comments
Labels: Populair, Thomas Bomans
zondag 23 december 2007
Meneer, u steunt het goede doel toch ook?
Meneer, u steunt het goede doel toch ook?
Ik zal het in deze post niet hebben over concrete humanitaire interventies. Ik zal, geïnspireerd door Bricmonts gastlezing, het hebben over een discours. Het zal niet enkel over humanitaire interventies gaan, maar ook over andere concepten als hét goede doel, vrijheid, democratie, participatie, … .
Twee kleine anekdotes ter inleiding.
Onlangs zag ik op tv ‘steracteur sterartiest’ waarin elke kandidaat een goed doel ‘representeert’. Volgend stukje vind je terug op de site www.een.be/steracteursterartiest :
“Het is de kijker die alles in handen heeft: hij beslist wie doorgaat naar de volgende aflevering én wat die zal zingen! Elke stem van de kijker is goed voor 10 eurocent. Die gaat naar het goede doel van de acteur op wie hij stemde. De acteurs doen er dan ook alles aan om de kijkers te charmeren, verbazen en ontroeren!”
Enkele van de goede doelen in dit programma zijn: lokalen voor de chirojongens uit Merksem, de vereniging voor bos in Vlaanderen, Greenpeace, de mobiele school, de landelijke jeugddienst Habbekrats, de Cliniclowns, UNICEF, Autistem, het natuurhulpcentrum en zo voort en zo verder. U merkt het, voor elk wat wils. Jammer genoeg kan slechts één de winnaar zijn en dus wordt er gestreden om welk goede doel het goedst is. De kijker heeft alles zelf in handen: wie wordt geholpen (en wie niet?). Ach we kunnen niet alles in één keer willen, het belangrijkste is immers dat hét goede doel centraal staat.
Nog niet zo lang geleden liep ik langs de Hema in gent bij de korenmarkt en er stond een stalletje opgesteld met wat verklede mensen die allerlei zaken aan het doen waren. Het bleek een actie voor het populaire ‘music for life’ programma op Studio Brussel te zijn. Ook hier gaat het om hét goede doel. In dit geval drinkwater. Plots staat drinkwater weer op de agenda van de mensen en zie je allerlei gulle gevers die, nu het toch even kan, hierbij graag eens even op de radio komen en één en ander over zichzelf of de organisatie waar het geld vandaan komt, willen vertellen. Ik zette mijn wandeltochtje voort langs de music for life actievoerders en twintig meter verder zat een vrouw met haar baby op straat te bedelen. Het was iets van – 2°. Het was frappant, rond de music for life studenten stond veel enthousiast volk, terwijl de vrouw in de kou bleef staan. Dit goede doel stond namelijk even niet op de agenda van het vrijgevige Vlaanderen waarvan tussen haakjes het empathisch vermogen tijdens de kerstperiode uiteraard net iets hoger ligt dan tijdens de overige 50 weken van het jaar. Nu ja, we kunnen niet alles ineens willen zeker?
Het is niet de bedoeling deze programma’s, die tot op zekere hoogte en voor bepaalde doeleinden veronderstel ik wel nuttig zouden kunnen zijn, te beoordelen of af te kraken, het gaat mij meer om enkele onderliggende zaken. In beide gevallen wordt een abstractie gemaakt van hét goede doel. Wie steunt er nou niet het goede doel, het is immers ‘goed’, niet? Je kan bijna stellen dat het ‘in’ is en populair om iets voor hét goede doel te doen. De verschillende goede doelen worden zelfs tegenover elkaar uitgespeeld, er wordt reclame over gemaakt, het worden (markt)producten.
‘Meneer, u steunt hét goede doel toch ook?’
Uiteraard.
Hét goede doel is verworden tot een discours waar mensen zich geen vragen meer bij stellen. Dit is volgens mij het gevaarlijke van de zaak en bijgevolg ook de kern van deze post.
Er zijn zo nog vele andere concepten die aan dezelfde ziekte lijden. Zo denk ik bijvoorbeeld aan democratie, goed bestuur, participatie, mensenrechten, reconciliation, maar ook aan humanitaire interventie. Of interventie tout court? Het zijn termen die inherent ‘goed’ worden geacht, waar bijgevolg geen of toch heel weinig vragen bij gesteld worden. Ook ‘ontwikkeling’ is zo een concept. Uiteraard zijn we allen voor ontwikkeling, maar wat houdt dit in, hoe bereiken we het, met welke middelen, met welke kosten, ontwikkeling voor wie?
We zijn a-priori voor de humanitaire interventie, omdat deze levens redt, dictators in de gevangenis werpt, vrijheid en democratie installeert, kortom omdat ze ontwikkeling brengt. Het gaat hierbij echter steeds slechts om een discours, het gaat niet over de concrete handelingen.
De humanitaire interventie is inherent goed, wat je dan ook van plan bent te doen. Dit en de vele andere concepten hierboven opgesomd worden geabstraheerd. Ze worden toegepast en opgedrongen zonder rekening te houden met de context, historiciteit, de verschillende belangengroepen, …
Het is belangrijk om ons vragen te blijven stellen over de concrete invulling van de verschillende concepten. Letermes woordenboek staat bijvoorbeeld vol met goed bestuur, verantwoordelijkheid opnemen, de wil van de kiezer respecteren, een mandaat opnemen, … Ondanks dat hij deze concepten nooit concreet heeft ingevuld was hij wel de grote winnaar van de afgelopen verkiezingen. Een teken volgens mij dat we ons te weinig vragen stellen bij het gevoerde discours.
We kunnen de discussie ook verplaatsen naar het actuele ontwikkelingsdenken, waar de term ‘participatie’ zeer hoog in het vaandel wordt gedragen. Molenaers en Renard (2007) maken de zeer terechte opmerking dat participatie vruchtbaar kan zijn, doch ook soms negatieve gevolgen kan hebben. Het hangt immers af van de context waarin het geabstraheerde begrip wordt gedropt.
Dat we ons vragen moeten blijven stellen bij het discours rond humanitaire interventie en al wat daarmee verband houdt, leren we uiteraard van onze vriend George W. Ik denk dat hij als geen ander heeft getoond hoe door een bepaald discours te voeren, de concrete invulling van de gelegitimeerde acties niet meer in vraag worden gesteld en andere agenda’s nagestreefd kunnen worden.
Het is echter belangrijk te beseffen dat een interventie niet a-priori gelegitimeerd is door ze humanitair te noemen.
Het goede doel is goed, daar bestaat geen twijfel over, wat het doel dan ook moge zijn?
Bronnen:
Molenaers, N. & Renard, R.(2007). Ontwikkelingshulp faalt: is participatie het redmiddel? Leuven: Acco.
www.een.be/steracteursterartiest Laatst geraadpleegd op 23/12/2007.
Gerrit Muylaert
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
17:02:00
12
comments
Labels: Gerrit Muylaert, Populair
Néo-Imperialisme
Bespreking artikel : « Néo-Impérialisme » uit Le Monde Diplomatique van maart 2003, Ignacio Ramonet.
Ignacio Ramonet is de directeur en een journalist van het maandblad “Le Monde Diplomatique”. Zijn artikel bespreekt de interventies van de Verenigde Staten tijdens de laatste jaren en geeft hier kritiek over. Zijn uiteenzetting begint met de benoeming in april 2003 van de Amerikaanse generaal Jay Garner tot Burgerlijke Gouverneur in Irak. Het objectief van deze opdracht was de regio te herstructureren, maar achter dit humanitair aspect had de herstructurering een andere bedoeling, met name een permanente militaire basis op te bouwen en de oliewelvaart te privatiseren . Dus met z’n objectief, zijn de eerste opdrachten van opstelling van dringende hulp en democratisering van het land aanzienlijk achteruitgegaan. Als wij kijken naar de Amerikaanse manier om zich in een land op te dringen, doet het ons denken aan de westerse kolonisatie, de mandaatperiode of de herstructurering na de tweede wereldoorlog. Maar toen was er nog geen internationaal recht en de Verenigde Naties bestonden nog niet. Dus, met die benoeming, hebben de Verenigde Staten alle bestaande internationale rechten genegeerd. De bedoeling van de VN was precies om dit soort feiten nooit meer te zien gebeuren. De VN werden in 1945 opgericht om internationale problemen op te lossen. De organisatie beschikt niet over een militaire strijdmacht en in geval van interventie, wordt de steun van zijn leden gevraagd om militaire opdrachten te voeren. Dus om tussen te komen in een land moeten de leden een verdrag met de betreffende landen ondertekenen. Daarom, hoe kunnen de Verenigde Staten zich het recht toekennen om een ander volk, in dit geval Irak, te beheren zonder de goedkeuring van de andere VN leden?
Vaak in het verleden hebben de Verenigde Staten hun eigen model aan andere landen opgelegd en altijd bleef de Amerikaanse macht heel langer dan aangekondigd. Een concreet voorbeeld is de Amerikaanse interventie in de Filippijnen in 1898. Na drie eeuwen Spaanse kolonisatie had het land een andere aankomst van buitenlandse macht, met name die van de Verenigde Staten, niet nodig. De Filippijnse leiders dachten naïef dat de Verenigde Staten hun hulp zou bieden zonder er compensaties voor te vragen. De eigenlijke bedoeling van hun hulp was hun expansie door te voeren en dus verwachtten de Verenigde Staten een economische compensatie in ruil voor die hulp. Een belangrijke verandering in de Filippijnse gemeenschap was bijvoorbeeld de opleiding van de nieuwe generaties in het Engels. De gevolgen hiervan waren heel dramatisch, in het bijzonder voor de Filippijnse auteurs, journalisten of politici. Een groot deel van het Filippijnse culturele erfdeel is helaas daardoor verdwenen. Dit drama dat normalerwijze maar tijdelijk moest zijn heeft tot 1946 geduurd en vandaag nog hebben de Verenigde Staten een grote invloed op de Filippijnse samenleving meestal, op het ogenblik van de nationale verkiezingen.
De auteur levert kritiek op generaal Jay Garner. Maar Garner had andere ideeën dan het Amerikaanse Witte Huis en werd daarom na drie weken van zijn functie ontheven. Hij dacht dat de Amerikanen de neiging hebben om hun model in alles op te leggen. Ons systeem is zeker goed maar het is daarom niet zo dat het voor iedereen goed is. Hij ontleent de woorden aan T.E. Lawrence: « C’est mieux pour eux de le faire de façon imparfaite que pour nous de le faire de façon parfaite, parce qu’au bout du compte, il s’agit de leur pays et nous n’y serons pas pour très longtemps » . Hij was er zeker van dat het nodig was om Iraki aan het hoofd van het land te zetten, want hoe sneller ze hun land beheren hoe beter zal de toekomst van Irak zijn.
De auteur vergelijkt het Amerikaanse neo-imperialisme met de Romeinse conceptie van een dominante moraal. Inderdaad wat deed ons denken dat ons systeem van leven het beste is? We moeten stoppen met denken dat vrijhandel, modernisatie en westerse cultuur op iedereen van toepassing zijn.
Tenslotte, zoals Jean Bricqmont zegt “We have to think how other people see us too. There is a total miscommunication between the west and the rest. In Iraq, American people are not wanted so they can’t stay forever. We have to change the mentality of the west and to adapt to the change of the 20th century. Human rights are not a tool to use in modernisation of the Third World, it’s a goal. We have to listen to what people say in the rest of the world and to stop thinking that everybody has the same priority and want to be like us” .
Géraldine Woitrin
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
16:42:00
0
comments
Labels: Géraldine Woitrin, Populair
dinsdag 11 december 2007
Bricmonts stellingen: enkele persoonlijke bedenkingen en commentaren
De bedenkingen hierna geformuleerd zijn louter persoonlijke bedenkingen die verwijzen naar het inleidend presentatieartikel in “Le Monde Diplomatique” dat summier J. Bricmonts visie op “humanitaire interventie” toelicht.
Er wordt verwezen naar een paar publicaties.
1. Bricmonts probleemstelling gaat er -ook bij de keuze van zijn voorbeelden- van uit dat het de Amerikaanse troepen zijn die een “H.I.” ondernemen.
Vervolgens stelt hij dat zij die vóór H.I. zijn géén controle hebben op die macht en ze derhalve ook niet kunnen controleren tijdens de uitvoering van de H.I., en dus beter afzien van het verdedigen van H.I..
Ik denk dat hij terecht zéér kritisch is t.a.v. dit soort “westerse” militaire, unilaterale interventies; helaas gaat hij niet in op pleidooien en visies -die m.i. niet allemaal eenvoudigweg afkomstig zijn van politici, juristen, activisten enz. met weinig integere bedoelingen- welke pleiten voor de nodige institutionele veranderingen, procedures, mechanismen en strikte voorwaarden inzake H.I., zowel qua
vaststelling van de mensenrechtenschendingen;
internationale en interne legitimiteit;
uitbouw van geschikte interventiemacht, mandaat en operationele voorwaarden ervan;
beperking van duur en effectieve en periodieke controle op de interventie;
inschatting van de effectiviteit en kosten-baten;
nazorg (1)
Uiteraard is het grote probleem in de hele discussie er misschien één van de “kwadratuur van de cirkel”. Ik tracht te verduidelijken.
Ten eerste koesteren vele oprechte (relatieve) voorstanders van H.I. verwachtingen ten aanzien van de VN-instanties (Veiligheidsraad, Algemene Vergadering, Mensenrechtencommisie “nieuwe stijl”,...), maar beseffen dat de werking van de Veiligheidsraad door één veto kan worden verlamd.
Vandaar dat velen dit probleem dan weer trachten op te lossen door te stellen dat dan maar buiten de VN om moet kunnen opgetreden worden, zolang er maar voldoende legitimiteit is (2). Als er al praktische voorbeelden inzake veto's gegeven worden betreft het dan meestal veto's van Russische of Chinese zijde (bv. inzake Darfour). Een optreden ter uitvoering van VN-resoluties t.a.v. Israël wordt meestal niet vermeld, wellicht omdat men hier op de feitelijke grenzen van de concrete praktijk van H.I. botst. Iedereen weet van wie dan een veto zou stellen.
Het voorbeeld dat ik aanhaal is geen loos voorbeeld; voor heel wat voorstanders van H.I. moet er immer niet noodzakelijk van genocide sprake zijn, maar kunnen “ernstige mensenrechtenschendingen volstaan”.
Tweede probleem is dat van de “materiële interventiemacht”: daarvoor moeten mankracht, middelen en knowhow ter beschikking worden gesteld. Moeizaam verlopen reeds de processen tot opbouw van een Europese strijdmacht (proces dat in aanzienlijke mate mee door het militair-industrieel complex wordt gestuurd én gericht is op Europese belangenverdediging, en niet “H.I.”), laat staan dat er enige wil is bij overheden om middelen ter beschikking te stellen van één of andere “humanitair interventiekorps”.
Instituties -en zeker ook militaire korpsen- zijn steeds product van hun samenstellende delen (in dit geval delen van staatsapparaten waarvan de neutraliteit al evenzeer voorwerp van discussie kan zijn), krachtsverhoudingen en belangenconvergenties zoals die op een bepaald moment bestaan en geconsolideerd worden.
Bricmont vindt deze vaststellingen wellicht zo vanzelfsprekend, dat ze hem er impliciet toe brengen enkel de feitelijke praktijk van min of meer unilaterale interventie van belangrijke westerse machten (in casu de VS) tot uitgangspunt van zijn kritische analyse te nemen (ook al kan en werd de invasie van Irak veeleer als een zgn. “veiligheidsinterventie” dan wel een H.I. te noemen).
Derde probleem heeft betrekking op de (internationale) legitimiteit: hoe ondermeer verhinderen dat legitimiteit “gekocht” wordt ? Denken we maar aan de indrukwekkende en goed uitgekiende pogingen inzake “manufacturing consent” die de VS er op enkele maanden tijd deed in slagen van een brede internationale alliantie “voor de bevrijding van Koeweit” te smeden, met inbegrip van nauwelijkse verhulde “omkoping” (met kwijtschelding van aanzienlijke schuldbedragen voor Egypte en Polen).
Weerom stelt zich hier de kwestie van de machtsverhoudingen (en dus “politiek”).
Méér dan om het even welk ander rechtsgebied is het “volkenrecht” voor wat zijn concrete invulling betreft hieraan onderhevig.
Ook de rol, onafhankelijkheid en eventuele selectiviteit van belangrijke mediakanalen dient hier kritisch te worden benaderd. Waarom wordt over de ene tragedie al vrij snel bericht (vaak “natuurrampen”), over de andere langzaam (Darfour), en over de andere wanneer ze zich al haast voltrokken heeft (oostelijk Congo), of wordt weliswaar reële, doch relatief beperkte menselijke conflictschade als “grote tragedie die tot zeer snel handelen noopt” voorgesteld (bv. Kosovo in 1999) ?
2.Terecht wordt voor het soort interventies die hij op de korrel neemt ook de reële inhoud van de “democratische principes” die met het optreden worden verdedigd, in vraag gesteld, ook al omdat de optreders zelf nauwelijks democratisch te noemen zijn.
Noam Chomsky schreef in de jaren '70 een veelbesproken en pas na het afschuimen van heel wat uitgevers gepubliceerd tweedelig werk “The Washington Connection” dat opent met een schema genaamd “The Sun and its planets: coyntries using torture on an administrative basis in 1970s, with their parent-client affiliations”. Met “The sun” wordt hier de VS bedoeld.
Van de 35 landen die wereldwijd tot “reguliere folteraars” mogen worden gerekend, behoren er maar liefst 26 (waaronder 3 Europese staten) zéér duidelijk tot de Amerikaanse invloedssfeer, waarvoor de VS tussen 1950 en 1975 ruim 200.000 militaire kaders trainden en 37 miljard dollar militaire hulp verschaften. Al zéér lang voor Bush jr. en de “war on terror” blijkt er dus één en ander niet helemaal met “democratische” of “humanitaire” beginselen te stroken in het Amerikaanse buitenlandse beleid (3).
3. Als enige aanzet tot alternatief roept Bricmont op tot totale niet-inmenging:
Nous n’avons pas de solution aux problèmes des autres, et par conséquent nous ferions mieux de ne pas nous mêler de leurs affaires (...) Les anticolonialistes britanniques ne pouvaient pas garantir que la fin de l’empire des Indes ne se passerait pas de façon tragique. Etait-ce une raison pour demander que l’Angleterre occupe l’Inde indéfiniment ? »
Bricmont spreekt m.i. zichtzelf hier toch enigszins tegen. Enerzijds gaat hij uit van een centrum-periferiemodel (cfr. zijn historische visie die blijkt uit het slotcitaat van Churchill uit 1914 waarnaar verwezen wordt), een visie die er juist veel oog heeft voor hoe de periferie ook nu nog diep getekend wordt door de “imperialistische overheersing door het centrum”, met alle gevolgen vandien op sociaal, cultureel, economisch, infrastructureel, demografisch,... vlak.
In hoeverre mate kun je dan de uitdrukking “problèmes des autres”, “leurs afffaires” gebruiken ?
Anders riskeer je ongewild van dezelfde uitganspunten inzake wereldbeeld te vertrekken als heel wat voorstanders van H.I. die als premisse ook uitgaan van een “wij als democratisch westen, bakermat van mensenrechten” versus “zij waar die ideeën om allerlei redenen vaak zwaar geweld wordt aangedaan” (een soort dualistische visie) en “wij” en “zij” niet als verschillende gebieden met elk een eigen historiek binnen een “wereldsysteem” (totaliteitsvisie).
Hij past dit ook toe in een poging tot formulering van een “what now ?” voor het Irak van anno 2007. Er IS een nieuwe toestand gecreëerd door de interventie van 2003, op welke leugenachtige en ongerechtvaardigde gronden deze interventie ook gebaseerd was.
Het unilaterale karakter van de Amerikaans-Britse inval was erg duidelijk, de internationale legitimiteit véél geringer dan de weliswaar met allerlei “making consent” -technieken gefabriceerde internationale consensus van 1990-1991 na de Iraakse invasie in Koeweit.
Dat de bezettingstroepen dienen te worden teruggetrokken, lijkt me plausibel en gerechtvaardigd, ook al omdat hun aanwezigheid wellicht een grotere factor van instabiliteit en gewapende escalatie dan wel stabiliteit is.
Desalniettemin, indien men zich in de plaats van een “antioorlogsbeweging” stelt, laat de concrete vertolking van algemene principes (in dit geval: onmiddellijke terugtrekking, laat ze nu “hun problemen” oplossen) hier -gezien zijn bovenvermelde categorieke oordeel- toch enigszins te wensen over.
Immers, “hun problemen” zijn nu door de jarenlange gang van zaken, in grote mate ook niet meer “hun problemen” geworden. De kaarten werden door elkaar gerammeld, er is veel leed, schade berokkend en wederzijdse haat gegroeid.
Misschien kan volgende toepasselijke metafoor één en ander verduidelijken: “Wanneer men ergens alles vol mijnenvelden legt, en vervolgens afdruipt, dan zijn die mijnenvelden nog wél de verantwoordelijkheid van zij die er ze gelegd hebben”.
Het lijkt me veel realistischer en beter -en al evenzeer “subversief” t.a.v. de doelstellingen van de huidige interventiemachten- om naast het ijveren voor terugtrekking van de huidige bezettingsmacht met in hun gevolg een pleiade aan schimmige huurlingenlegers van allerlei “beveiligingsfirma's”, ook te ijveren voor een internationale vredesmacht met duidelijk omschreven en gecontroleerd stabilisatiemandaat (peacekeepingforce) onder VN-auspiciën met brede regionale inbreng, met daarbij de eis dat minstens een aanzienlijk equivalent van de immense bedragen die nu aan oorlog in Irak en Afghanistan worden besteed, aan in velerlei opzicht sociaal evenwichtige (her)opbouwende maatregelen in deze landen (ook Afghanistan is nu al bijna 30 jaar inzet van een sterk geïnternationaliseerd gewapend conflict) wordt gespendeerd.
Zelfs al is de kans dat dit gerealiseerd wordt zéér gering (zie ook de schets van een aantal knelpunten in deze onder punt 3), deze aanzet tot IN PRINCIPE realisiseerbaar alternatief heeft twee grote voordelen:
- men biedt antioorlogsverzet een mobiliserend perspectief en toont aan dat ook deze krachten in alle omstandigheden “realpolitik” kunnen bedrijven;
- door aanhoudende weigering hiervan wordt alleszins de politieke kost van toekomstige interventies verder opgeschroefd (gezichtsverlies t.a.v. concrete en breed gedragen alternatieven is altijd groter dan t.a.v. het louter declameren van “algemene principes”.
Ten slotte getuigt deze andere soort “interventie” ook van verantwoordelijkheidszin t.a.v. de precaire toestand zoals die door jaren van “veiligheidsinterventie” werd geschapen.
Tot zover een aantal onderbouwde persoonlijke -en dus uiteraard puur subjectieve- commentaren annex standpunten. Alle kritische bedenkingen zijn uiteraard meer dan welkom.
Voetnoten:
(1) Zie bv. Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten: “Internationaal toetsingskader voor Gewapende Interventie”, (7 maart 2001), te vinden onder volgende URL: www.njcm.nl/upload/Hum.Interv.7maart01.PDF
Dit Comité geeft een gedetailleerde en strikte opsomming van allerlei voorwaarden, kenmerken en doelstellingen van een H.I., maar zoals het juristen betaamt, wordt het vraagstuk van macht, politiek en concrete belangen impliciet aan “andere specialismen” overgelaten.
(2) Zie ondermeer W.J.M. Van Genugten: “Humanitaire Interventies, mogelijkheden en wensen”. In: Noord-Zuidcahier jg. 17 nr. 1 (maart 1992), p. 111-117.
(3)Chomsky, Noam & Herman, Edward S.: “The Washington Connection: Volume I – The Washington Connection and Third World fascism”. Spokesmen ed. (London, 1979), p i-ii en p. 361 voor uitgebreide toelichting bij de selectie.
Het boek is stevig gekruid met een kleine 1000 voetnoten, waarin ook veelvuldig verwezen wordt naar overheidsdocumenten.
Geert Nauwelaerts
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
00:08:00
0
comments
Labels: Geert Nauwelaerts, Populair
zaterdag 17 november 2007
De strijd om de Bottom Billion
Paul Collier is directeur van het Centrum voor de Studie van Afrikaanse Economieën en voormalig directeur van ontwikkelingsonderzoek bij de Wereldbank. In dit uitgebreide artikel geeft de econoom tekst en uitleg over zijn nieuwste boek: “The Bottom Billion” waarin hij argumenteert dat het toch niet zo slecht gaat met de ontwikkeling van de (Derde) wereld, en dat “slechts” 1 miljard mensen zich in landen bevinden die geteisterd worden door structurele armoede. Ontwikkelingsprojecten en dergelijke moeten zich dan ook op deze Bottom Billion concentreren en zich niet meer inlaten met bijvoorbeeld projecten in India, want “India is nu rijk genoeg om zich zelf om zijn armen te bekommeren”. Hoewel capaciteit en intentie om te handelen niet hetzelfde zijn, is het wel zo dat er voor kinderen in India door de groeiende economie meer hoop is dan voor kinderen in Congo of Laos. Hij zegt ook dat door de inspanningen te blijven verdelen over “5 miljard mensen” de onderste groep nagenoeg niets krijgt. Concentratie van middelen en fondsen op een beperkt aantal gebieden kan inderdaad een middel zijn om structurele oplossingen te creëren in plaats van enkel als pleister op de wonde te ageren. De structurele problemen waarin deze (volgens Collier 58) landen bevinden, hebben vooral te maken met gewapend conflict, grondstoffen, isolatie en slecht bestuur, volgens hem. We kunnen inderdaad meer dan een dozijn landen bedenken met die problemen en weinig landen met structurele armoede die hiermee niet te kampen heeft gehad. De vraag is alleen of er geen oorzaak-gevolg verwarring is: is conflict en corruptie een oorzaak of net het gevolg van de economische toestand en praktijken? Maar in mijn opinie wil hij vooral benadrukken dat deze elementen ontwikkeling blokkeren en de penibele economische situatie en armoede voeden. Veelal zijn deze aspecten ook verbonden: neo-patrimonialisme, guerrilla’s in de periferie, roofeconomie van de overheid of rebellen,… De verderzetting van conflict kan zelfs (economisch) in het voordeel zijn van bepaalde groepen in het land. Collier pleit dan ook voor harde maatregelen: militaire interventies.
Een hoogst merkwaardige uitspraak voor een econoom natuurlijk, maar volgens hem is de precaire veiligheidstoestand één van de belangrijkste oorzaken van de achterstand op het vlak van ontwikkeling. Vredesoperaties zouden deze regio’s kunnen stabiliseren en voor een klimaat zorgen waarin ontwikkeling mogelijk is. Beschuldigingen van neo-kolonialisme en neo-imperialisme bij deze interventies legt hij naast zich neer: mensen als Mugabe spreken niet voor Afrika of voor hun volk, maar vooral uit eigenbelang. Maar volgens hem is de grootste terughoudendheid te vinden in Europa: het soevereiniteitsprincipe en de onwil om zich met deze gevaarlijke taken in te laten, zijn volgens Collier de belangrijkste oorzaken hiervan. Je kan natuurlijk kiezen waar je prioriteiten liggen: het Westfaalse statensysteem of mensenrechten/mensenlevens. Persoonlijk vind ik het soevereiniteitsprincipe niet absoluut heilig. Zonder het te hebben over opleggen van een alternatief politiek of economisch systeem of het bewerkstelligen van een regimewissel, kan een bevolking of een deel ervan bescherming of levensnoodzakelijke middelen nodig hebben, waarin de staat nalaat te voorzien of zelfs oorzaak van is, waardoor aanspraken op soevereiniteit twijfelachtig worden. Een standpunt dat ook gedeeld wordt door de VN in haar “Responsibility to protect” document. Naast de kwestie van soevereiniteit en de onwil tot actie, zijn er echter nog redenen om niet meteen de kaart van militaire interventies te trekken. Zonder twijfel gaat Collier wat kort door de bocht.
De kwestie van fundamentele veranderingen “op te leggen” aan dit soort landen, dient met een grotere omzichtigheid te worden benaderd. Het is misschien vrij Eurocentrisch ( of meer uit “westers” perspectief) en paternalistisch om bijvoorbeeld Afrikaanse landen, waarvan nog steeds velen dictaturen, afwezigheid van staten, militaire regimes, … zijn, naar democratisch model te willen omvormen en onze waarden en normen te willen opleggen, maar of, ten eerste, westerse staten daar zelf zoveel voordeel uithalen om dit (neo-)imperialisme te noemen en, ten tweede, dit zozeer in het nadeel is van de plaatselijke bevolking, is toch twijfelachtig. Structurele aanpassingen in het politiek en economisch systeem kunnen echter in sommige (met nadruk op sommige) gevallen nodig zijn om mensenrechten schendingen, conflicten of erbarmelijke toestanden in de toekomst te vermijden. Deze hervormingen kunnen het herstel van autonomie en soevereiniteit herstellen en voor de toekomst veiligstellen.
De wereld, met de ontwikkelingslanden voorop, eigenhandig en vanuit westers perspectief willen veranderen is echter gevaarlijk, moreel verkeerd en vaak contraproductief. Veranderingen aanmoedigen op het vlak van mensenrechten en politiek-sociale rechten van de bevolking en daarboven optreden als scheidsrechter om strijdende partijen uit elkaar te houden zal vaak noodzakelijk blijken om de “Bottom Billion” in een betere levensstandaard te voorzien. Naar mijn mening is deze visie ook Collier genegen. Hierbij zijn dan ook een wijd gamma aan middelen nodig, gaande van ontwikkelingshulp tot diplomatieke maatregelen, die hopelijk militaire interventies in de toekomst kunnen vermijden. Hoewel Collier vrij sceptisch staat ten aanzien van ontwikkelingshulp, is hij zeker geen tegenstander van het concept, maar pleit hij toch voor meer controle en toezicht, en moedigt hij troepenmachten in probleemgebieden aan om stabiliteit te creëren die op zijn beurt ontwikkeling kan op gang trekken. Dit kwistig omspringen met militaire macht zou zeker als bedreiging worden aanzien voor vele staatshoofden. De eventuele samenkoppeling van deze troepen met een idee van hervormingsbeleid zou daarenboven gelijkstaan met het installeren van kolonialisme om de fouten van de vorige koloniale periode ongedaan te maken, een notie die Collier trouwens ontkent (“armoede is het gevolg van een slechte economie, niet van de koloniale tijd”). Hulp bieden is één ding, beslissingen en veranderingen maken voor een ander land is iets compleet anders. Humanitaire interventies moeten en mogen enkel gebruikt worden om de ergste excessen te stoppen. Dat dit niet altijd het geval is, staat buiten kijf. Andere belangen zullen bij heel wat staten (ook) centraal staan bij de keuze voor een interventie of net niet. Hoewel individuele staten hier meer vatbaar voor zijn, zijn multilaterale acties geen garanties voor morele rechtvaardigheid. Ook de VN veiligheidsraad, waarbij de permanente leden met conflicterende belangen te maken hebben, is vaak besluitloos of verdeeld over dit soort kwesties. Alleen een nieuw internationaal orgaan, die criteria oplegt voor interventies; de voorwaarden en het handelen op het terrein, die strikte doelstellingen voorschrijft en controle uitvoert, kan militaire interventies in probleemgebieden terug humanitair maken. Dat dit in een wereld van internationale wantrouw, realpolitiek en financieel-politieke allianties eerder wishful thinking is, kan moeilijk ontkend worden.
Van Nijverseel Gerrit
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
11:31:00
0
comments
Labels: Gerrit Van Nijverseel, Populair
woensdag 7 november 2007
Wie vormt ‘s werelds echte bedreiging?
Hier komt een eerste poging om de hiervoor geschetste problematiek iets duidelijker en meer tastbaar te maken. Wij gaan hier het debat aan over het buitenlandse beleid dat ‘het Westen’ voert, waarbij zowel hun politieke, economische als sociale waarden als maatstaf worden gebruikt in het streven naar een betere wereld. Het antwoord op de vraag of dit een gerechtvaardigde strijd is, of dat men onder het mom van de verspreiding van de democratie en het tegengaan van terrorisme enkel meer macht wil verwerven, hangt erg af van de invalshoek waaronder je de feiten voorgeschoteld krijgt. Elke versie van de feiten is meer ingekleurd al naargelang de belangen die meespelen. Misschien kan het interessant zijn om de discussie te starten vanuit een ander daglicht dan dat wat we gewoon zijn. Daarom zijn de artikels die hier verder als illustratie zullen dienen, afkomstig van een niet-Westerse nieuwsbron, nl. Al Jazeera, die een andere kijk heeft op de rol van het Westen en meer bepaald de VS op wereldvlak.
Het artikel ‘Viva la revolucion!’ [1] behandelt de ontmoeting tussen Hugo Chavez en een delegatie Amerikanen die de revolutie van de omstreden president van Venezuela volmondig steunen. De auteur belicht de uitgesproken mening van Chavez over het buitenlandse beleid van de VS dat hij imperialistisch noemt, en waarbij president Bush de titel ‘Mr Danger’ krijgt. Volgens Chavez moeten de ontwikkelingslanden het imperialisme verslaan, om zichzelf te redden - en niet enkel zichzelf, maar ook om te wereld te redden. Dat is de Hugo Chavez die op zijn beurt door de VS vaak wordt afgeschilderd als dictator, en dat terwijl veel Venezolanen zelf menen in een democratie te leven. Wie het bij het rechte eind heeft, is een groot punt van discussie (waarschijnlijk moeten beide partijen de zaak met een meer genuanceerde blik bekijken). Maar wat zeker is, is dat de inmenging van de VS niet overal in dank wordt afgenomen.
Vanuit een heel andere hoek van de wereld horen we een gelijkaardige discussie. In twee artikels [2] wordt weergegeven hoe de president van Iran, Mahmoed Ahmadinejad hetzelfde standpunt inneemt. Hij zei dat ernstig afbreuk wordt gedaan aan de mensenrechten door bepaalde machten, vooral door deze die zich voordoen als de exclusieve verdedigers ervan. Ook gaat hij niet akkoord met de bemoeienissen van de VS, dat zich opstelt als model waaraan een land dat goed wil functioneren zich moet spiegelen. Iran ziet de VS veeleer als bedreiging, grotendeels omdat dat land zich, samen met de andere permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, zich het alleenrecht toe-eigent op kernwapens. Iran ziet zijn nucleair programma dus als een noodzakelijke bescherming, en wil dit zeker niet opschorten. Als voorbeeld van het imperialisme van de VS gebruikt Ahmadinejad ook nog de invasie in Irak, waar de VS zogezegd de toenmalige dictator ten val wou brengen en massa-vernietigingswapens wou doen verdwijnen, alsook de Amerikaanse steun aan Israël, ook al onderdrukt Israël de Palestijnen.
Het leiderschap van Mahmoed Ahmadinejad wordt, net als dat van Hugo Chavez, vaak in vraag gesteld, vooral inzake zijn extreme gedachtengoed. Maar voor een groot deel van de wereldbevolking, vooral inwoners van ontwikkelingslanden, primeert zijn standpunt over de ontwikkeling boven zijn uitspraken over de holocaust, homoseksuelen, de rol van vrouwen en zijn atoomprogramma. Hij kaart het probleem aan dat de invloeden van de koloniale erfenis op ontwikkelingslanden groot zijn, en dat die zich vandaag de dag nog steeds laten voelen. Dat er zoveel armoede blijft bestaan, wordt mee in de hand gewerkt door het Westers economisch systeem. In de koloniale periode zijn veel van de grondstoffen en rijkdommen waarover de huidige ontwikkelingslanden beschikten geëxploiteerd ten voordele van de regerende macht. Hoewel die landen inmiddels hun onafhankelijkheid terug hebben verworven, kampen ze nog steeds met economische problemen, en ook nu nog vervult het Westen daar geen glansrol in. Het beleid van het IMF en de Wereldbank is immers niet steeds datgene dat hun ontwikkeling het snelst vooruit helpt. Ook door de enorme landbouwsubsidies in het Westen, waardoor markten in de ontwikkelingslanden overspoeld worden met producten aan een prijs waarvoor ze in die landen zelf nooit geproduceerd kunnen worden, woedt de economische strijd voort en is de uitbouw van een binnenlandse ontwikkelingssector moeilijk gezien de hoge schuldenlast die ze met zich meedragen. De steun die Chavezs Venezuela en Ahmadinejads Iran bieden, wordt dan ook hartelijk verwelkomd. Beide landen hebben een grote oliereserve evenals goed draaiende niet-oliesectoren, waardoor een groot budget beschikbaar is voor ontwikkelingshulp. Deze wordt geboden “with no strings attached” (volgens het laatste artikel). De auteur van het artikel beweert dat die landen zich in tegenstelling tot het Westen zich op deze manier niet imperialistisch opstellen, terwijl ze toch hulp verlenen.
Uiteraard moet deze laatste bewering met een korrel zout worden genomen. Wat belangrijker is in deze artikels, is dat de manier van aanpak van Westerse hulp ernstig in vraag wordt gesteld in verschillende uithoeken van de wereld. Voor velen in de derde wereld is de globalisering die uit het Westen komt aanwaaien blijkbaar niet welkom, omdat dit enkel imperialisme zou zijn vermomd in een kleedje van democratie en vrije markten. Hopelijk geeft deze andere invalshoek aanleiding tot extra bedenkingen, en argumenten die, volgens mij, zeker niet over het hoofd gezien mogen worden.
Eva Maes
Bronnen:
[1] Al Jazeera, Viva la revolucion!, 16/01/2006,
http://english.aljazeera.net/English/Archive/Archive?ArchiveID=17840
[2] Al Jazeera, US is world’s real threat, 26/09/2007,
http://english.aljazeera.net/NR/exeres/FB085194-ABDC-4D1C-82C4-8F24FAAFA8CC.htm
Al Jazeera, Ahmadinejad’s message to the world, 03/10/2007,
ttp://english.aljazeera.net/NR/exeres/8364066A-2388-4194-BEF0-1A262E6976A9.htm?FRAMELESS=true&NRNODEGUID=%7b8364066A-2388-4194-BEF0-1A262E6976A9%7d
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
13:30:00
0
comments
