Bespreking artikel: Neo-Humanitarianism: The Role of International Humanitarian Norms and Organizations in Contemporary Conflict van Kurt Mills. Uit: Global Governance 11 (2005), 161-183
De auteur van dit artikel, Kurt Mills, ziet een evolutie in de aard van humanitarisme, de voorbije jaren. Traditionele idealen als neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid zijn verleden tijd. Humanitarisme heeft nu een heel andere rol binnen hedendaagse conflicten. De internationale grootmachten gebruiken humanitaristische normen en actoren ook om hun eigen doelen te bereiken. De internationale druk om in bepaalde conflicten in te grijpen speelt meer een belangrijke rol. Als deze elementen maken dat humanitarisme van aard is veranderd. Vandaar dat Mills ook spreekt van Neo-Humanitarianism. Dit artikel verduidelijk hoe deze evolutie tot stand is gekomen en op welke manier dit nieuwe humanitarisme paradoxaal en problematisch is.
In eerste instantie suggereert Mills dat globale humanitaire actie, en discours over zo’n actie, binnen internationale relaties een steeds meer zichtbaar element geworden is. Humanitarisme is een waardevol public relations tool geworden. Zo begint Mills zijn artikel met een uitspraak van Donald Rumsveld aan te halen, betreffende één van de zes doelen van de militaire operatie in Afghanistan:
‘To provide Humanitarian relief to Afghans suffering truly oppressive living conditions under the Taliban regime.’
Voor de Amerikaanse minister van defensie lijkt het dus handig om dit humanitaristische element te gebruiken om een oorlog te rechtvaardigen. Het kan zelfs zo zijn dat dit element effectief ook een rol heeft gespeeld en een bepaalde druk op de besluitvorming heeft uitgeoefend.
Mills stelt in dit artikel verder dat doordat de aard van conflicten veranderen, men in een nieuw tijdperk komt, dat wat hij Neo-Humanitarianism noemt. Een tijdperk waar humanitarisme niet slechts aan de rand van conflictsituaties van toepassing is, maar waar humanitarisme samensmelt met hedendaagse conflictsituaties. De kernvragen die Mills in dit artikel aanpakt zijn: Waarom wordt neutraal humanitarisme steeds meer fictie? Waarom richten staten zich tot humanitaire actoren? Wat zijn de gevolgen van dat vertrouwen die staten stellen in humanitaire actoren? Wat zijn de effecten daarvan op deze organisaties en op humanitaire actie meer in het algemeen? Hoe hebben Internationale Humanitaire Organisaties (IHO’s) invloed op conflictsituaties? Welke rol hebben humanitaire normen op een conflict vandaag?
Het is zeker zo dat NGO’s een belangrijke rol spelen in de hedendaagse conflictsituaties. Velen proberen zeker te werken binnen de traditionele sfeer van neutraliteit, maar dit wordt steeds moeilijker en moeilijker. Sommige NGO’s maken zelfs bewust de keuze niet neutraal te blijven in bepaalde situaties en een kant te kiezen. Hierdoor kunnen ze er zelfs voor zorgen dat alle IHO’s in een bepaald conflict op een andere manier gezien worden.
Een belangrijk deel van het punt dat Mills in dit artikel wil maken is dat internationale humanitaire normen een effect hebben op hoe staten handelen. Ongeacht of staten zich effectief humanitair willen inschakelen, kan het zeker zo zijn dat ze druk hiertoe ervaren. Internationale normen bepalen dat staten op zen minst moeten laten zien alsof ze hiermee bezig zijn. Het is echter wel zo dat het bestaan van dergelijke normen maakt dat staten deze kunnen gebruiken en manipuleren naar hun eigen doelen. Duidelijk is alleszins dat er humanitaire normen en waarden bestaan en dat deze effectief invloed hebben op het internationale toneel.
Zoals Mills het ziet heeft klassiek humanitarisme meer te maken met medeleven voor mensen in bepaalde situaties dan met politiek. Belangrijke elementen ervan zijn dan ook neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Waar dit model van humanitarisme verschilt met de hedendaagse situaties, heeft volgens Mills te maken met de realiteit van oorlog vandaag. Waar het niet meer staten zijn die het tegen elkaar opnemen, maar verschillende staatse en niet staatse actoren. Het gebeuren van oorlogen is ook helemaal anders, er zijn geen frontlijnen meer, geen duidelijke afbakeningen van wie het juist tegen wie opneemt. Oorlog is een veel meer fluïde en complexe aangelegenheid geworden. De slachtoffers zijn vaak ook in eerste instantie de burgerbevolking. De verschillende partijen van hedendaagse conflicten laten wel duidelijk uitschijnen dat ze bezorgd zijn om humanitaire normen, maar volgens Mills zijn de verschillende partijen van de meeste gewapende conflicten vandaag echter uit op het manipuleren van humanitaire acties. De grootmachten voelen vaak de druk om te interveniëren bij humanitaire crisissen en genociden, maar zij pogen echter aan de humanitaire actoren te laten zien dat reageren op dergelijke toestanden, zonder evenwel zelf veel te moeten doen, en zeker niet hun eigen soldaten aan gevaren blootstellen.
Na de Koude Oorlog en 11 september 2001 heeft de internationale situatie de aard van conflicten gewijzigd. De VN ging meer en meer interveniëren in meer en meer conflicten. Dit maakt dat de kans groter dat de VN en haar agentschappen gezien worden alsof ze iets van voordeel halen uit al die conflicten. Dit met negatieve gevolgen op het neutrale en onpartijdige karakter.
Mills haalt nog een ander element boven dat verduidelijkt hoe de gewijzigde aard van conflicten invloed heeft op humanitaristische activiteiten. De scheidingslijn tussen strijdende en niet-strijdende actoren wordt in hedendaagse conflicten steeds minder duidelijk. Op deze scheiding is echter het principe van neutraliteit en onpartijdige voorziening van humanitaire hulp gebaseerd. Ook het concept terrorisme, in essentie, vertroebelt een dergelijke scheidingslijn. Humanitaire activiteiten worden ook steeds meer en meer geïncorporeerd in militaire plannen van Westerse overheden. Het is daarmee de bedoeling om aan de bevolking in kwestie te laten uitschijnen dat de militairen en de hulpverleners daar zijn om hen te helpen. Naarmate IHO’s echter meer en meer geassocieerd worden met bepaalde partijen van een conflict omwille van de donorrelaties, ondermijnd dit eveneens hun perceptie van neutraliteit. Voor Mills komt het er op neer dat humanitarisme meer en meer te maken heeft met public relations dan met mensen helpen. Het wordt al te vaak misbruikt in dienst van bepaalde politieke doelen.
Samen met het veranderen van de internationale omstandigheden is er ook een verandering van het concept humanitarisme. In eerste instantie omvatte humanitarisme dat men zich richtte naar het bezorgen van levensnoodzakelijke goederen naar conflictgebieden. Geleidelijk is er echter een beweging naar wat Mills noemt: rights-based humanitarianism. Het belang van mensenrechten in de context van conflict komt steeds meer aan bod. Er wordt in een situatie meer gekeken naar de big picture, en niet slechts naar het helpen van slachtoffers in nood. Hierdoor gaan IHO’s zich echter vaker bezig houden met zaken die niet altijd stroken met de plaatselijke perceptie ervan.
In zijn uiteenzetting raakt Mills nog aan een ander onderwerp. Namelijk het verband tussen regeringen en IHO’s. Voor landen is humanitaire actie zoals eerder gezegd belangrijk voor het imago. Het belangrijkste is dat men het gevoel geeft alsof men bezorgd is om bepaalde situaties, maar zonder daar echter al te veel op het spel voor te moeten zetten. Regeringen doen voor dergelijke situaties, die om humanitaire acties vragen, beroep op niet-statelijke actoren. Vandaar de belangrijk rol van NGO’s en organisaties zoals UNHCR (United Nations High Comissioner for Refugees). Het is essentieel na te gaan hoe de financiering van dergelijk organisaties in elkaar zit. Veel NGO’s zijn zowel afhankelijk van de grote donorlanden voor financiering als van UNHCR, en het budget van het UNHCR is eveneens afhankelijk van de belangrijkste donorlanden. Aan de hand van deze elementen komt Mills tot de conclusie dat zulke IHO’s sterk samenhangen aan de machtigste staten. Mills stelt zich de vraag wat de gevolgen zijn van een dergelijke verbondenheid. Aan de hand van een aantal voorbeelden komt hij tot een aantal kritische bedenkingen. Het naar voor brengen van bepaalde schrijnende situaties in de wereld door de media krijgt in de Westerse landen heel wat aandacht. Er is zeker heel wat humanitaristische bezorgdheid in het Westen, maar de politieke elites en de bevolking van Westerse landen zijn er niet echt happig het risico te nemen troepen te sturen. Dus is het gemakkelijker geld over te maken naar organisaties zoals UNHCR. Het steunen van regeringen op IHO’s om in conflictsituaties op te treden betekent wel een verlies van een deel van autonomie dat niet zo makkelijk opnieuw terug te winnen is.
Een tweede vraag dat Mills zich stelt is hoe dat de interactie tussen IHO’s en de conflictregio’s is veranderd en hoe deze verandering tot stand is gekomen. In het vervolg van het artikel overloopt Mills drie belangrijke types van IHO’s namelijk; het UNHRC, het INRC (International Comittee for the Red Cross) en de NGO’s. Telkens maakt hij kritische bedenkingen bij de organisaties in kwestie en ontmantelt hij ze van hun zogezegde humanitaristische bedoelingen en neutraliteit. Een interessant element is ook de belangrijke rol die NGO’s hebben met betrekking tot het formuleren en verspreiden van mensenrechten en humanitaristische normen. Het is wel zo dat er vaak onenigheid bestaat tussen verschillende NGO’s en binnen bepaalde NGO’s zelf. Vaak kiezen sommige NGO’s ook partij bij bepaalde conflicten, al dan niet bewust. Hierdoor kunnen ze de dynamiek van een conflict beïnvloeden en van zichzelf een doelwit maken. Het is belangrijk, zoals Mills het aantoont, de complexiteit van de relatie tussen NGO’s en hun doelgroepen te besteffen. NGO’s hebben vaak bepaalde doelstellingen die niet altijd de juiste zijn binnen bepaalde conflicten.
Een belangrijk aspect van het discours van Mills zijn de humanitaire normen. In het artikel verduidelijk hij dat deze wel degelijk op het internationaal niveau een belangrijke rol spelen. Aan de ene kant hebben de Verenigde staten humanitaire normen en waarden als een argument gebruikt om bepaalde strategieën te verantwoorden, zoals bijvoorbeeld de oorlog in Irak. Langs de andere kant treden de Verenigde Staten deze normen met de voeten als het gaat over ondervragingstechnieken van vermeende terroristen. Dan is er blijkbaar geen plaats meer voor concepten zoals mensenrechten.
Op het einde van zijn uiteenzetting komt Mills tot twee belangrijke conclusies.
Ten eerste: IHO’s en humanitaire normen zijn meer en meer verweven geraakt met de essentie van hedendaagse gewapende conflicten. Staten gebruiken vaak humanitaire actoren om bepaalde agenda’s uit te voeren. Men kan in het algemeen niet meer spreken van neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid. De internationale grootmachten gebruiken humanitarisme en humanitaire actoren om hun eigen noden in te willigen. Toch kan het gebruik van humanitarisme echter wel effect hebben en humanitaire noden concretiseren en staten verplichten ermee rekening te houden.
Ten tweede: Er bestaat een risico dat humanitarisme verstrengeld raakt met het beleid van grote actoren zoals de Verenigde Staten zodanig dat het een beleidsmiddel wordt dat niets meer te maken heeft met mensen uit de miserie te helpen. De vraag is hoeveel manipulatie er nodig is alvorens humanitaire normen totaal waardeloos worden. Een paradoxale situatie lijkt ontstaan. Hoewel IHO’s meer en meer aanwezig zijn, lijken hun principes meer en meer aan het vervagen. Men zou kunnen zeggen dat IHO’s en de normen waar ze voor staan aan macht hebben ingeboet doordat ze zijn opgenomen – niet noodzakelijk gewild – in de agenda’s van de grootmachten.
Charles-Henry Van Cappellen
maandag 31 december 2007
Neo-Humanitarisme. De rol van internationale humanitaire normen en organisaties in conflictsituaties
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
13:59:00
1 comments
zondag 30 december 2007
American Humanitarian Intervention: Toward a Theory of Coevolution
Naast bepaalde binnenlandse factoren (zoals bijv. de media, publieke opinie, parlementsleden, etc.), spelen zeker ook internationale factoren een rol. In tegenstelling tot wat graag beweerd wordt, zullen de Verenigde Staten hoogstwaarschijnlijk vooralsnog steeds een legale interventie die gesteund wordt door bondgenoten prefereren boven een unilaterale interventie. Dit neemt echter niet weg dat een positieve internationale constellatie slecht één van de vele factoren is die een invloed heeft op het proces dat uiteindelijk zal leiden tot een beleidsbeslissing. Een positieve internationale constellatie is in geen geval een conditio sine qua non voor de Verenigde Staten om over te gaan tot een humanitaire interventie. De belangrijke invloed van internationale factoren schuilt allicht in het feit dat ze een (grote) rem hetzij steun kan betekenen in het kader van een beslissing om al dan niet effectief over te gaan tot een humanitair ingrijpen. Het is net de interactie tussen deze veelheid aan factoren die kan leiden tot verschillende uitkomsten.
Teneinde voorgaande theorie toe te passen, lichten Lyon en Dolan vervolgens het wordingsproces van een aantal humanitaire interventies toe (Operation Provide Comfort in Iraaks Koerdistan in de nasleep van de Golfoorlog; Operatie Sustain Hope en Allied Force in Kosovo eind jaren ’90; en tot slot de case van operatie Unified Assistance in de nasleep van de tsunami in 2004-2005). Vooral deze laatste case is interessant omdat het om een concrete operatie gaat waarin het humanitaire aspect ogenschijnlijk centraal staat.
Toen de tsunami op 26 december 2004 op de kusten van Indonesië, Indië, Sri Lanka en andere landen inbeukte, was het afwachten wat de reactie van de internationale gemeenschap zou zijn. Waar veel mensen zich niet van bewust zijn, is dat de reactie van de Verenigde Staten en de internationale media in eerste instantie redelijk lauw was. Oorspronkelijk beloofde de Amerikaanse regering het relatief kleine bedrag van $ 15 miljoen ter leniging van de grootste humanitaire noden. Over een grootschalige humanitaire operatie was überhaupt geen sprake. Het was net kerst geweest en vele Amerikaanse media en nieuwsagentschappen draaiden bovendien niet op volle kracht. Overigens drong de ware orde van grootte van de ramp allicht ook nog niet echt door bij de verschillende actoren. CNN was de enige zender die 75 reporters naar de getroffen regio’s stuurde, waardoor het zeker in de eerste dagen het verhaal beheerste. Aangezien het gebied dat aanvankelijk door de media gedekt werd relatief beperkt was, maakten vele nieuwsnetwerken dan ook gretig gebruik van de binnenstromende beelden en verslagen van toeristen en burgers ter plaatse. Naarmate de ware omvang van de ramp hierdoor geleidelijk aan in kaart gebracht werd, kwam er ook een proces op gang waarbij haast tegen elkaar op geboden werd om zoveel mogelijk hulp te bieden.
Following the
En inderdaad, pas daags nadat de Ondersecretaris-Generaal voor Humanitaire Zaken van de VN, Jan Egeland de beloofde $ 15 miljoen van de VS omschreef als ‘gierig’, kwamen Bush en de zijnen over de brug met een totaal hulppakket van $ 350 miljoen. Andere regeringen volgden al snel en de één trachtte de ander nog te overtreffen. Wereldwijd werden er plots ook allerhande publieke acties georganiseerd – hoe groter hoe liever – om zo groot mogelijke bedragen in te zamelen ten behoeve van de noodlijdende bevolking. Geen mens die zich de vraag stelde wat er met al die astronomische bedragen moest gebeuren en waar ze concreet in geïnvesteerd moesten worden (cfr. “Mijnheer, u steunt toch ook het goede doel?” in deze blog).
De financiële en militaire steun waarmee de VS plots over de boeg kwam, was echter weloverwogen en geenszins pure liefdadigheid. Verschillende factoren leidden ertoe dat het besluitvormingsproces in de richting van een humanitaire interventie zou evolueren.
Ten eerste was de tsunami ondertussen wereldnieuws geworden. Zeker de aangrijpende home-video’s van Westerse toeristen die toevallig in Thailand op vakantie waren, weekten veel emoties los. Er ging dan ook disproportioneel veel aandacht naar de toeristen die het slachtoffer waren van de tsunami (het zou wel eens familie kunnen zijn!). De lokale bevolking kwam minder in beeld en indien dit al het geval was, ging het vooral om aangrijpende beelden van de vele doden die de tsunami veroorzaakt had (dode Westerlingen in beeld brengen in immers uit den boze). Het Amerikaanse publiek zat bijgevolg dan ook gekluisterd voor het scherm naar de berichtgeving (en allerhande fund-raising shows) i.v.m. de tsunami te kijken. Gelijkaardige taferelen in andere Westerse en niet-Westerse landen. Een humanitair ingrijpen werd dan ook ten zeerste gesteunde door de publieke opinie. Zoals Bernard Kouchner het immers ooit stelde: “Where there is no camera, there is no intervention” (cfr. de aanslepende oorlog in Oost-Congo). Echter, ook de strategische belangen van de VS waren gediend met een ingrijpen in de regio. Een ‘humanitaire’ interventie van die aard weegt immers door in de Public Relations (zeker omdat het om het helpen van islamitische landen gaat). Niet zozeer t.a.v. de eigen bevolking dan, maar vooral t.a.v. de bevolking in islamitische landen. Verscheidene opiniepeilingen wezen er dan ook op dat het aandeel van de bevolking in islamitische landen dat een negatief beeld had van de VS in de maanden na de humanitaire interventie aanzienlijk daalde. Verder is, met name Indonesië dan, een strategische partner voor het behoud van stabiliteit in Zuid-Oost Azië en in de ‘war on terror’. Indonesië is immers één van de grootste islamitische landen in de wereld. Er opereren daarenboven ook verscheidene islamitische terreurbewegingen vanuit Indonesië, zoals bijv. het aan Al-Qaïda gelieerde het Jemaah Islamiyah. Tot slot zijn goede relaties met Indonesië ook puur geostrategisch van groot belang voor de VS. Het gematigde moslimland bezit immers aanzienlijke hoeveelheden natuurlijke rijkdommen (olie en gas) en ligt bovendien op een strategische locatie waardoor vele zeeroutes en communicatielijnen lopen.
Zoals uit al het voorgaande mag blijken is het besluitvormingsproces dat leidt tot een humanitaire interventie verre van een simpele cost-benefit analyse. Verscheidene factoren waarop beleidsmakers weinig tot geen invloed hebben, spelen ook vaak een rol van betekenis. Lyon en Dolan trachtten dit complexe proces dan ook als volgt aanschouwelijk te maken:
Ofschoon de studie van het concept van humanitaire interventie nog in zijn kinderschoenen staat, is de poging van Lyon en Dolan alvast een zeer verdienstelijke poging om verder te gaan dan het vaak gebruikt discours dat enkel de nauwe belangen van de actoren onderzoekt. Personen die beweren dat men het hoe en waarom van een bepaalde interventie door een bepaalde actor volledig kan verklaren door simpelweg de belangen van die actor in kaart te brengen hebben niet ongelijk, maar gaan allicht wat kort door de bocht. De ogenschijnlijk soms grillige keuze van beleidsmakers om soms wel in te grijpen, soms niet is immers het resultaat van een heel proces waarbij verschillende krachten de beleidsmakers in verschillende richtingen duwen dan wel trekken. Het lijkt dan ook aangewezen een groter aantal concrete gevallen te analyseren vanuit deze optiek en zo mogelijk het kader dat hierboven geschetst werd nog verder te verfijnen.
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
23:33:00
1 comments
Labels: Thomas Bomans, Wetenschappelijk
Het Amerikaanse imperium en zijn afhankelijkheid tegenover het Zuiden
Soederberg, S. (2004). American empire and 'excluded states': the Millennium Challenge Account and the shift to pre-emptive development. Third World Quarterly, 25 (2), 279-302.
De elektronische versie van dit artikel is makkelijk terug te vinden op:
http://tsp.ec.tku.edu.tw/QuickPlace/113922qp/Main.nsf/$defaultview/E67FA4119078AA7B482571B60052E854/$File/Soederberg2004.pdf?OpenElement
Susanne Soederberg is professor in ontwikkelingsstudies aan de Queen's Universiteit in Kingston, USA. Met deze paper vult ze naar eigen zeggen het vacuüm aan wetenschappelijke kritische werken op over het Millennium Challenge Account (MCA). Het MCA is een ontwikkelingsproject dat door George W. Bush in maart 2002 in het leven is geroepen, met als doel de 79 armste landen op deze planeet te helpen. In deze context spreken de Amerikanen graag over 'failed states', die een veilige thuishaven zouden kunnen vormen voor terroristen die de Amerikaanse veiligheid bedreigen. Aan de hulp die arme landen ontvangen via het MCA, zitten wel een hele lijst voorwaarden verbonden - een niet onbesproken probleem binnen onze opleiding 'Conflict and Development, onder andere toen het ging over de Washington Consensus… Deze landen moeten namelijk aan criteria voldoen die bepaald worden door de Bush-regering en die - hoe kan het ook anders - passen binnen de neoliberale agenda van de V.S.. Het MCA is daarmee, volgens Soederberg, een schaamteloze uitwaseming van het Amerikaanse imperialisme: dezelfde egoïstische neoliberale doelstelling, verpakt in een nieuw kleedje, een nieuwe vorm. De weg naar economische groei ligt, volgens het neoliberalisme, in het stimuleren van landen om hun beleid aan te passen in de richting van economische vrijheid. Men kan zich afvragen over welke groei het hier gaat: deze van de arme landen of van de V.S.?
De reden voor de weinig voor handen zijnde kritische literatuur hieromtrent is volgens Soederberg het privatiseren van hulp en het militariseren van ontwikkeling.
Van de vroege jaren '80 tot de late jaren '90 werd ontwikkelingssamenwerking vanuit het Westen sterk bepaald door de Washington Consensus. Deze stelde dat de staatsinvloed zich enkel dient te beperken tot het handhaven van de wet voor bijvoorbeeld eigendomsrechten, en dat voor de rest de markt aan invloed moet winnen via privatisering, liberalisatie en deregulatie. Dit zou de landen in het Zuiden helpen om economische zekerheid en groei te bekomen. Maar Soederberg spreekt de neoliberalen tegen door te zeggen dat hiermee juist onzekerheid wordt bekomen. Want het neoliberaal systeem dat wordt opgedrongen aan het Zuiden, beloont diegenen die kapitaal accumuleren en straft de anderen. In die zin heeft Soederberg het over de zekerheid/onzekerheid paradox: in het streven naar zekerheid via die economische maatregelen, bekomt men juist onzekerheid in het sociale en individuele leven van de mensen in het Zuiden. En ondanks de slechte resultaten in de landen die zich lieten leiden - korte 'ei' of lange 'ij' maakt in dit geval weinig verschil - door het Amerikaanse neoliberalisme - lees imperialisme - en de groeiende ontevredenheid in deze landen, bleef de V.S. die vrije economie pushen.
Als reactie op de nadelige gevolgen van en de protest tegen de voorwaardelijke SAP's van de Washington Consensus ontstond eind de jaren '90 een nieuwe ontwikkelingsstategie: de post-Washington Consensus. Vanuit de Wereldband en het IMF kwam steeds meer aandacht voor armoedevermindering i.p.v. voor infrastructuur en dergelijke. De armen werden voortaan niet meer gezien als volledig passief maar als mogelijke producenten, en de ontvangen staten kregen meer inspraak: 'empowerment' is een goedklinkende term die hierbij graag in de mond werd genomen door Westerse donoren. Toch bleef natuurlijk de vrijemarkteconomie een prioriteit… Zo ziet Soederberg de 'Poverty Reduction Strategy Papers' (PRSPs) van de Wereldbank als een manier om het neoliberaal systeem makkelijker te laten slikken door de ontwikkelingslanden en tegelijk meer slagkracht te geven via de nog steeds sterke voorwaardelijkheid. De arme landen in het Zuiden bleven hierbij dus onderdrukt door het Amerikaanse imperialisme en de spanning van de zekerheid/onzekerheid paradox bleef bestaan.
Door de zojuist vernoemde paradox en door de falende economie van en het groeiende onveiligheidsgevoel in de V.S., waren de inspraakgevende PRSP's geen succes. Vanaf het jaar 2000 ging het namelijk niet meer zo goed met de Amerikaanse economie, die toch als neoliberaal voorbeeld moest dienen voor de Derde Wereld landen. De reden voor dit falen was o.a. het doorprikken van de enorme speculaties die de voorgaande jaren gebeurden op de beurs. In 2002 moest Bush dan ook recordbedragen gaan lenen om het budgettair tekort aan te vullen. De V.S. heeft, gezien deze slechte economische situatie, de Derde Wereld broodnodig. Bush wil de arme landen zo ver krijgen dat hij er goedkoop kan produceren voor eigen rekening, gebruik makende van gedisciplineerde goedkope arbeidskrachten en het ontbreken van taksen zoals milieubelastingen. Deze schandalige praktijk vanuit het Amerikaanse imperium werd ook vermeld in de korte inleiding van deze groepstaak door professor Sami Zemni op Minerva. Bush heeft dus die economische vrijheid in ontwikkelingslanden nodig om zijn imperium in stand te kunnen houden. Door deze excentrieke overlevingsdrang, is de Bush-regering rond de eeuwwisseling steeds meer unilaterale - lees egoïstische - beslissingen inzake ontwikkelingsbeleid gaan nemen. In 2000 beschuldigde de straffe mevrouw Condaleeza Rice, Bush's rechter hand als het gaat over Amerikaanse veiligheid, het afgelopen Clintonbeleid dat volgens haar teveel de eigen nationale belangen had vervangen door humanitaire doeleinden. Verder volgens Rice is wat goed is voor de V.S. ook goed voor de wereld, een toch wel opmerkelijke opvatting die algemeen verspreid lijkt te zijn bij vele burgers en beleidsmensen in de V.S.. Een gevolg is dat wanneer de V.S. op zoek gaat naar legitimiteit voor bepaalde buitenlandse acties, het enkel naar zijn eigen principes teruggrijpt en niet naar internationale instituties, zoals de V.N..
Sinds 9/11 komt het Amerikaanse imperialisme anders tot uiting dan voorheen: meer dan ooit wil de Bushadministratie de Amerikaanse waarden en normen, hoofdzakelijk politieke en economische vrijheid, opleggen aan de wereld, alsof dat de enige juiste zouden zijn. Naast het MCA werden in 2002 nog andere egostimulerende projecten op de wereld losgelaten, zoals het project voor de 'New American Century' en de American National Security Strategy (NSS). De V.S. laat weinig keuze aan de ontwikkelingslanden: ze moeten kiezen vóór of tégen de V.S.. Als ze voor zijn, dan moeten ze zich onderwerpen aan de Amerikaanse waarden en regels, en als ze tegen zijn, dan houdt de V.S. zijn militair apparaat gereed om te vechten binnen het kader van zijn War on Terror. De V.S. duidt falende staten aan als mogelijke veilige thuishavens voor terroristen, die vandaaruit de Amerikaanse veiligheid bedreigen. En marktgeleide globalisatie zou armoede in zulke landen oplossen, en meer Amerikaanse controle zou de terroristen verdrijven. Om deze controle te maximaliseren wil de V.S. liever de IDA-leningen van de Wereldbank omvormen in giften, niet uit liefdadigheid, maar dus om meer grip te krijgen op de prestaties van de arme landen. Vele van de andere G-8 landen, die eveneens grote invloed hebben op het Wereldbankbeleid, onthaalden deze Amerikaanse voorstellen niet bijzonder positief. Dit bewijst nogmaals het unilaterale karakter van het Amerikaans buitenlands beleid.
De aanslagen op 11 september 2001 zijn volgens Soederberg niet de directe oorzaak van de agressieve buitenlandse aanpak, maar dienen ze wel als rechtvaardiging voor de militaire uitbreiding van het Amerikaanse imperium en zijn repressieve aanpak in strategisch belangrijke gebieden in het Zuiden. Voorbeelden van het Amerikaanse 'extremisme' zijn de agressiever wordende FBI en CIA die zonder waarschuwing indringen in de privésfeer van mensen die volgens hen terroristische treksjes zouden hebben. Ook tegenover NGO's wordt een repressieve en meer gecontroleerd beleid gevoerd sinds 9/11: de Bush-regering verdringt NGO's die opkomen voor de rechten van de armen in het Zuiden en die reageren tegen de neoliberale globalisatie. Bovendien deelt Bush steeds vaker contracten uit aan bevriende privébedrijven werkzaam in het Zuiden.
Volgens Soederberg veranderde door de aanslagen vooral de vorm van de humanitaire hulp en niet de inhoud en achterliggende bedoelingen ervan. 9/11 heeft dus wel degelijk een invloed volgens Soederberg, maar ik denk dat ze vooral het punt wil maken dat de V.S., en Bush in het bijzonder, zich niet mogen verschuilen achter 'we moeten ons beschermen tegen die boze terroristen' om meer negatieve invloed uit te kunnen oefenen op arme landen ten voordele van het Amerikaanse imperium.
Zoals zovele wetenschappers bekent Soederberg kleur op politiek vlak: ze blijkt meer voorstander te zijn van Clinton, die meer werkte via multilaterale samenwerkingsverbanden in plaats van unilaterale waar Bush graag gebruik van maakt.
Soederberg valt de stelling van de Bush-regering aan, die zegt dat er een sterke correlatie is tussen economische vrijheid en democratie. Volgens haar zijn er voorbeelden genoeg in de geschiedenis die dit tegenspreken: zoals het authoritaire en tegelijkertijd neoliberale Chili ten tijde van Pinochet, en de O-Aziatisch ontwikkelingslanden die zonder het neoliberale systeem toch heel goede resultaten boekten.
Net als ten tijde van de Koude Oorlog creëert de V.S. een onmenselijke vijand, er wordt gesproken over een democratische 'wij' en een terroristische 'zij'. De ander wordt gezien als passief die niet bereid is om de neoliberale modernisatie aan te nemen en daarom blijven 'ze' een bedreiging voor de V.S. en moet er worden ingegrepen. In de V.S. worden uitspraken en teksten afkomstig van mensen in falende staten gezien als nonsens en niet legitiem.
Volgens Soederberg manipuleert Bush de methoden voorgeschreven om de Milleniumdoelstellingen te halen, om op die manier het Amerikaanse imperium te dienen. Niet het verspreiden van democratie en vrijheid zijn de echte doelstellingen van Bush, maar wel de positie van V.S. als economische en militaire wereldleider behouden.
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
12:57:00
0
comments
Labels: Chris Claes, Wetenschappelijk
woensdag 26 december 2007
Who should determine the just cause of humanitarian intervention?
Deze vraag vormt het thema van deze post, gebaseerd op het gelijknamige artikel van Manuela Aguilar.
De auteur start met de stelling dat de humanitaire interventie een uitdaging en eigenlijk een problematisch concept vormt voor de UN. De twee sleutelconcepten van de humanitaire interventie zijn immers de soevereiniteit van een staat enerzijds en de mensenrechten anderzijds. Beiden dienen gerespecteerd te worden en komen bijgevolg vaak met elkaar in conflict.
Binnen de UN vormt de veiligheidsraad met haar vijf permanente leden (de VS, Rusland, China, Frankrijk en GB), het orgaan met de grootste beslissingskracht omtrent het al dan niet overgaan tot de interventie. Zowel haar legale en morele autoriteit mag niet onderschat worden. Door de veto’s die gesteld kunnen worden door elk van de vijf permanente leden, kan het al dan niet overgaan tot de interventie beslist door één enkel land. Aguilar benadrukt hier terecht dat deze vijf permanente leden uiteraard (ook) gedreven worden door hun eigen nationale belangen en stelt zich de vraag wie of welk orgaan de macht zou moeten hebben ‘to determine the just cause of humanitarian intervention?’. Wie zou met andere woorden moeten bepalen of de schending van de mensrechten opweegt tegen het schenden van de soevereiniteit van de staat waar geïntervenieerd wordt? Ze gaat op zoek naar een antwoord zonder afbreuk te doen aan de veiligheidsraad. Ze zoekt naar een nieuw orgaan dat naast deze raad zou kunnen bestaan.
Op papier klinkt het simpel: wanneer een staat faalt in het beschermen van haar volk tegen mensenrechtenschendingen, dan heeft de internationale gemeenschap de (morele) plicht en het recht om te interveniëren. In gevallen als de genocide in Rwanda, om er maar één te noemen, lijkt het duidelijk. Maar ondanks alle signalen die in de richting wezen van een opkomende genocide, werd er toch niet ingegrepen. Dit maakt duidelijk dat zelfs wanneer de werkelijkheid zich op haar ‘zwartst witst’ mogelijke manier toont, de internationale gemeenschap er toch niet in slaagt om een ramp te voorkomen en dit zelfs niet probeert. Andere belangen dan het beschermen van de mensenrechten zijn dus, zoals al in vele andere posts op deze blog naar voren komt, in het geding.
Rwanda is natuurlijk een zeer duidelijk voorbeeld, maar zelden (hoewel?) doen zich zulke extreme situaties voor. Vaak is het veel moeilijker om te bepalen of een interventie gerechtvaardigd is of niet. Dan heb ik het puur over de menselijke, of zo u wil, humanitaire rechtvaardiging. De basisvraag in deze sterk gelegaliseerde wereld(orde) blijft: wie beslist en op welke basis wordt beslist om over te gaan interventie. Aguilar verwoordt het als volgt (p.19):
“We cannot accept in the 21st century that fundamental human rights are violated and that crimes against international humanitarian law are being committed on a large scale without consequences. From the ethical viewpoint, there is no way we can escape the moral obligation to act. The question remains, however, of who has the right authority to decide upon the action to be taken.”
Volgens Aguilar is het geen optie om de permanente leden van de veiligheidsraad uit te breiden, noch om hun het veto recht te ontzeggen. De bedoeling van deze constructie is immers geweest om het lidmaatschap tot de UN voor de supermachten aantrekkelijker te maken. Deze grootmachten zijn belangrijk, als was het enkel maar om hun financiële bijdragen. Door andere landen te betrekken lossen we, aldus Aguilar, ook niets op, gezien er dan nog meer nationale belangen in het geding zijn, waardoor het komen tot beslissingen alweer bemoeilijkt wordt. De auteur raakt in haar voorstel dan ook niet aan deze formule. De basis voor de beslissing om over te gaan tot een humanitaire interventie zou moeten liggen ‘rather in common than national interests’, daarom oppert Aguilar het idee om andere actoren, naast de veiligheidsraad, te betrekken in het beslissingsproces. Het idee kwam reeds tot leven in 1981, maar kende geen succes. De bedoeling toen, en van de hier besproken auteur, was en is:
“ … the creation of a multinational, independent and permanently established committee, financed by the United Nations and in charge of aiding the Security Council in the decision making process regarding humanitarian intervention,…”
(p.19)
Dit comité moet zo objectief mogelijk de veiligheidsraad informeren over de oorzaken en de context van het desbetreffende conflict, alsook haar advies geven over welke stappen ondernomen moeten worden en welke de mogelijk effecten zullen zijn op de bevolking in kwestie. De leden van het comité zouden niet komen uit sterk politiek getinte milieus (om het accent op de nationale belangen van de actoren te beperken), maar eerder uit organisaties die reeds heel wat expertise hebben opgebouwd omtrent de verschillende problematieken, zoals Amnesty International, het internationale rode kruis enzovoort. Eveneens moeten experten op het vlak van internationale wetgeving geraadpleegd worden, alsook van de verschillende UN commissies.
De drie grote functies van het comité zouden zijn:
1. “It would possess sufficient moral power, and possibly support from the General Assembly, to exert pressure on the Security Council to overcome the inertia and indecision that has characterized its decision-making process ever since the failures of the peacekeepers in Somalia and Yugoslavia.”
2. “By providing the Security Council with objective information on the impact of humanitarian intervention on a specific conflict, it would at least force the Council to publicly explain and justify decisions taken against the counsel of the Committee, thus curbing to a certain extent the tendency of Security Council members to take decisions according to their diplomatic, economic or strategic preferences.”
3. “Finally, it would contribute to a more informed decision making process in itself.”
(p.20)
Aguilar stuurt aan op de creatie van een ‘internationale morele maatschappij’, wat ik persoonlijk een nobel doel acht. De vraag is echter of dit comité echt de gewenste (morele) autoriteit krijgt van de veiligheidsraad.
Ik heb dit artikel gekozen omdat ik zeker meega in de redenering van een Bricmont die stelt dat we een stap terug moeten gaan en ons in de eerste plaats de vraag stellen of interventie an sich wel gerechtvaardigd kan worden. Hoewel hij de vraag kreeg tijdens het gastcollege wat dan te doen bij een situatie als Rwanda in 1994, heeft hij hier naar mijn gevoel niet echt op geantwoord. Hij repliceerde dat hij dit een ander situatie is en dat er dan zeker moet geïntervenieerd moet worden. Hij argumenteerde zelfs dat dit in Rwanda ook effectief gebeurd is. Hij had het over operation Turquoise door de Fransen. Het klonk mij een beetje als: er is toen wel degelijk ingegrepen, dus zaag niet. (bijna een miljoen slachtoffers ten spijt …)
Waar ik eigenlijk wil toe komen is dat Bricmont een punt heeft, maar dat hij enigszins voorbij gaat aan de werkelijkheid. Hij voert een betoog over discourses en niet over concrete situaties. Uiteraard moeten we ons vragen stellen bij onze vanzelfsprekende vooronderstellingen, maar langs de andere kant kunnen we er niet onderuit dat situaties als Rwanda zich al meermaals hebben voorgedaan en dat we, hier volg ik Aguilar volledig, in zulke situaties een morele plicht hebben om in te grijpen. Dus, ondanks het interessante bestoog van Bricmont, wat te doen in zulke situaties en waar trekken we de grens? Wat ik zo goed vind aan Aguilar is dat zij met een alternatief op de proppen komt. Een alternatief dat waarschijnlijk nog moet bijgeschaafd worden, maar dat naar mijn mening wel het proberen waard is.
Bron: Aguilar, M. (2005). Who should determine the just cause of humanitarian interention? Social Alternatives, 24 (3), 17 – 21.
Gerrit Muylaert
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
13:49:00
1 comments
Labels: Gerrit Muylaert, Wetenschappelijk
maandag 24 december 2007
Ontwikkelingshulp faalt?
Tot hier toe ligt de nadruk van deze blog duidelijk op militaire interventies en tussenkomsten van het Westen, en vooral dan de VS, bij conflicten in de derde wereld. Dit is dan ook een hoog oplaaiend debat dat door de sterke mate van controverse uiteenlopende meningen uitlokt. Het is echter niet het enige aspect dat meespeelt in het spanningsveld tussen humanitarisme en imperialisme. Ook ontwikkelingshulp wordt de laatste tijd steeds meer in vraag gesteld. Werkt deze louter vanuit de intentie om mee te bouwen aan een betere wereld, die enkel bereikt kan worden als het Westerse model globaal wordt nagevolgd, of dringt men gewoon dit model op aan staten waar dit onmogelijk kan functioneren, en in hoeverre speelt eigenbelang mee?
Zo stelt het boek van Nadia Molenaers dat vorig jaar uitkwam, “Ontwikkelingshulp faalt. Is participatie het redmiddel?”, in vraag of participatie van de civiele maatschappij bij het tot stand komen van de PRSP’s (Poverty Reduction Strategy Papers) kan bijdragen tot een betere ontwikkeling en democratie, om waar te maken wat de vorige decennia niet gelukt is. Maar wat is nu juist het probleem van die ontwikkelingshulp, en waar wordt het begrip ‘imperialisme’ van toepassing?
In de paper “The Political Economy of Development Aid as Main Source of Foreign Finance for Poor African Countries: Loss of Policy Space and Possible Alternatives from East Asia” (Oya, 2005) wordt een deel van dit probleem aangekaart. Deze paper focust niet op ngo’s of ontwikkelingsprojecten, maar op officiële overheidshulp (ODA). Deze financiële hulp betekent een zeer belangrijke bron van buitenlandse steun voor veel ontwikkelingslanden, met speciale aandacht in het artikel voor Sub-Sahara Afrika. Voor veel van die landen is het onmogelijk om voldoende binnenlands surplus te genereren, om vandaaruit de ontwikkeling op te bouwen, door via gezondheidszorg en onderwijs de welvaart te stimuleren, door basisinfrastructuur uit te bouwen nodig voor industrialisatie, door nieuwe technologieën toe te passen en productiviteitsbevorderende instituties te versterken, etc. Het aandeel van financiële hulp in het bruto nationaal inkomen is veelal erg groot, en het komt vaak voor dat een derde van de import gefinancierd wordt door hulpverlening. Veel landen zijn heel erg afhankelijk van financiële hulp. Deze hulp is zeker nodig om ontwikkeling mogelijk te maken, maar de vraag is of dit ook voldoende is. Het beheer van dat geld is een kritische factor, en daarom willen de donorlanden ook hierop inspelen. Ze verbinden voor het ontvangende land allerlei voorwaarden vast aan de subsidies en leningen, in de hoop zo een goede omgeving te creëren waarin de financiële hulp werkelijk een stap vooruit kan betekenen.
Maar de vraag is of de motivatie van de donorlanden enkel gebaseerd is opt altruïstische intenties (want hulp is toch een basisverantwoordelijkheid, zeker wanneer deze geen enorme kosten met zich meebrengt, zoals dat het geval is voor de rijke donorlanden) en op veiligheidsoverwegingen, of zijn er vooral economische belangen en geo-strategische of imperialistische overwegingen in het spel? Het antwoord op deze vraag is niet eenduidig, en moet zeker genuanceerd worden. Er is een groot verschil tussen de donorlanden, en er is ook een belangrijke evolutie sinds het begin van de ontwikkelingshulp.
Tot de jaren 70 was er vooral een projectbenadering, waarbij de nadruk lag op post conflict reconstruction en het voldoen van basisnoden. Door onder andere de groeiende schulden van de derde wereld evolueerde dit naar conditionele hulp, waarbij financiële hulp aan voorwaarden wordt gekoppeld die in verband staan met economische of politieke hervormingen. Van het begin van de jaren 80 tot midden de jaren 90, het tijdperk van de Washingtonconcensus, traden de SAP’s (Structurele AanpassingsProgramma’s) in werking: die waren niet meer gericht op projecten maar op programma’s, die vooral het liberaliseren van de handel, deregulatie, privatisatie en hervormingen van de publieke sector centraal stelden, en dit alles koppelden aan ex-ante voorwaardelijkheid. Daarbij moet een land dat financiële hulp wil, beloven te voldoen aan zekere voorwaarden. Multilaterale organisaties kwamen op de voorgrond, en de schulden schoten de hoogte in. Maar aangezien het koppelen van voorwaarden aan financiële hulp geen positieve veranderingen teweegbrachten, veranderde men de strategie weer na ’95. Maar in de plaats van een heel andere weg in te slaan, werden de voorwaarden nog versterkt, kwam het begrip ‘good governance’ centraal te staan en moet er nu ex-post aan voorwaarden voldaan zijn. Door de opkomende globalisering en neoliberalisering worden deze voorwaarden vaak gezien als katalysator voor onderontwikkeling in de plaats van vooruitgang.
De paper haalt een aantal negatieve effecten aan die financiële steun kan hebben. Van toepassing in deze discussie is vooral het punt rond de ‘state capacity de-building’. Aangezien ontwikkelingslanden moeten voldoen aan een aantal aspecten van het model dat het Westen hen oplegt indien ze hulp willen, ze zeer afhankelijk zijn van deze hulp en er geen alternatieven zijn, kunnen deze landen niet anders dan een weg in te slaan die ze zelf niet langer kunnen uitstippelen. De capaciteit om zelf een beleid te vormen en goede overheidsdiensten uit te bouwen, erodeert. Samen met financiële hulp komt meestal ook ‘gebonden’ hulp in de vorm van technische bijstand, goederen en diensten geleverd door bedrijven vanuit het donorland. Zo kan het ontvangend land niet meer rondkijken wat het beste aanbod van de markt is voor het land zelf. Een laatste probleem is het falen van de gestelde voorwaarden bij hulp, omdat ze de bedoelde effecten zelden bereiken.
Op deze manier kan het Westen zijn politieke en economische wil gemakkelijk opdringen aan ontwikkelingslanden, en groeit zijn invloed wereldwijd. Door deze invloed en de macht die ermee gepaard gaat, kan het Westen zaken opleggen die niet altijd ten goede komen van de ontvangende landen, maar soms in het politieke en economische voordeel van de donorlanden zijn. Banden worden gesmeed met landen vanuit strategisch oogpunt, de wereld wordt naar de hand gezet van grootmachten, het kapitalistische systeem reikt steeds verder en de derde wereld raakt moeilijk vooruit.
Ontwikkelingslanden zijn deels afhankelijk van financiële hulp als zij de welvaart voor hun burgers willen verbeteren en ontwikkelde landen zijn het moreel verplicht deze hulp te verlenen. Maar we moeten zeker steeds kritisch blijven bij de manier waarop dit gebeurt. Aangezien de voorwaarden gekoppeld aan hulp hun vruchten niet lijken af te werpen, moet het systeem in vraag gesteld worden. Staten hebben elk hun eigen geschiedenis, tradities, ideologieën. Waarschijnlijk hebben ze dus ook elk hun eigen manier nodig om uit te groeien tot ontwikkelde staten.
Eva Maes
Bron: Oya, C. (2005). The Political Economy of Development Aid as Main Source of Foreign Finance for Poor African Countries: Loss of Policy Space and Possible Alternatives from East Asia. School of Oriental & African Studies, University of London. Paper presented at the Second Annual Conference of the International Forum on the Comparative Political Economy of Globalization, 1-3 September 2006, Renmin, University of China, Beijing, China.
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
18:13:00
0
comments
Labels: Eva Maes, Wetenschappelijk
zondag 23 december 2007
Humanitarian Aid in Iraqi Kurdistan

Bespreking artikel "Humanitarian Aid in Iraqi Kurdistan", Michel Leezenberg
Sinds het einde van de golfoorlog in 1990, heeft Irak een aanmerkelijke militaire, politieke en humanitaire interventie gekend. Het idee erachter was dat Irak een soort test voor de “New World Order” was waar de mensenrechten en humanitaire tussenkomst de prioriteit over staatssoevereiniteit zouden genieten. Maar vijf jaar later waren de resultaten echt anders. Het land werd geconfronteerd met een sociale en economische crisis en een politieke instabiliteit. Als de humanitaire doelstelling erin bestaat de toestand te verbeteren, hoe kunnen we deze gebeurtenissen verklaren?
De humanitaire deelneming in Iraki Koerdistan kan in verschillende stappen gescheiden worden. De eerste fase duurde tot het einde van 1991 en concentreerde zich op de vluchtelingencrisis. Inderdaad, tijdens de tweede golfoorlog na een poging tot staatsgreep tegen Saddam Hussein, reageerden de overheidstroepen door geweldacties die de vlucht van de bevolking naar Turkije en Iran met zich meebracht. Deze landen waren niet bereid om op deze massale invasie te reageren. Een antwoord op die crisis was de opbouw van de “Safe Haven” in het Noorden van Irak. De bedoeling was de vluchtelingen veilig in hun eigen land te laten blijven. Maar in feite was Turkije de echte voornaamste acteur van dit project om de vluchtelingencrisis te stoppen en humanitaire hulp over staatssoevereiniteit te genieten. Dit humanitair project had geen VN mandaat en dus tekenden de VN een Memorandum of Understanding (MOU) om zijn humanitair programma in alle regio’s van Irak duidelijk te maken. Na een paar maanden waren de objectieven bereikt, namelijk de terugkeer van de meeste vluchtelingen in hun land. Maar de politieke problemen en de humanitaire kwestie op lange termijn hadden nog geen antwoord.
Op het einde van 1991 begon de tweede fase van de humanitaire interventie. De Koerdische pogingen probeerden een economische en sociale rehabilitatie te ondernemen, maar de korte termijn humanitaire hulp kende sommige hindernissen, met name het VN embargo of de internationale onwilligheid om de Koerdische streek te steunen. De Koerdische partijen probeerden onderhandelingen met Bagdad te voeren, maar omwille van het niet slagen hiervan ontstonden er confrontaties in de meeste Koerdische steden van het land. De overheid besloot het volk te beschermen door een blokkade tegen het Noorden. Het Noorden moest op zijn locale gemeenschappen rekenen om een locale overheid te vormen. Vanaf het begin bestond er een echte competitie tussen twee voornaamste politieke partijen: de KDP en de KUP. Dit gebrek aan coördinatie had een impact op de verbouwing en de hulpverdeling omdat de scheiding tussen de twee partijen ook een impact had op de eenheid van de buitenlandse hulporganisaties. Ondanks die moeilijke toestand, bleef de VN operaties voeren. Maar deze operaties ondermenen de Iraki overheidscontrole over zijn bevolking wegens de verhoogde scheiding tussen de drie noordelijke groepen. Daarom weigerde Irak in 1993 om het MOU akkoord opnieuw te tekenen dus, als een NGO in het land wilde blijven werken, zou deze interventie als illegaal beschouwd worden.
Vóór 1993, dankzij het MOU akkoord, konden organisaties zoals UNICEF, UNESCO of WFP goed werk voor de verbouwing en ontwikkeling van het land leveren. Maar de VN operaties eisten een aanzienlijk administratief werk en waren daarom betrekkelijk traag, duur en niet echt efficiënt. In aansluiting op de blokkade op het Noorden, gingen twee derde van de humanitaire uitgaven naar het Noorden ondanks het feit dat de situatie in het centrum en het Zuiden waarschijnlijk zelfs slechter was. De buitenlandse hulp verving, in zekere zin, het regeringssysteem van rantsoenering. De hulporganisaties namen de regeringsverantwoordelijkheid voor het welzijn van zijn bevolking over.
Na de afschaffing van de MOU en in die context van competitie tussen locale groepen, was het heel moeilijk voor de NGO’s om neutraal te blijven. Om die reden hadden de locale en buitenlandse NGO’s meer en meer economische invloed. De VN hadden een dubbele rol: sancties opleggen en humanitaire hulp verlenen. Bovendien was die hulp gericht op de politieke interest van sommige leden van de VN, zoals de Verenigde Staten.
De buitenlandse NGO’s moesten ook tegenover economische en sociale spanningen staan, zoals het onjuiste geloof dat de bevolking voor politieke redenen het land had verlaten, het conflict over het land of de storende effecten van de internationale landbouwmarkt (de concurrentie van goedkope buitenlandse producten). Ondanks die moeilijke situatie werden sommige dorpen verbouwd, maar de verbouwing ging snel door militaire operaties van de aangrenzende landen gestoord worden. In de steden was de toestand niet beter omdat de internationale organisaties minder aandacht aan de stedelijke verbouwing besteedden. De steden werden heel afhankelijk van de NGO’s en daarom stortte de burgerlijke overheid in, wat een anarchietoestand met zich meebracht.
In het Noorden werkten de buitenlandse NGO’s met de locale organisaties en de regionale overheid had bijna niets te zeggen. Maar de buitenlandse NGO’s zijn snel een instrument van competitie tussen de locale politieke partijen geworden. De locale NGO’s begonnen de humanitaire hulp in de politieke interest van hun partij te verknoeien.
De laatste fase van de humanitaire interventie in Iraki Koerdistan bestond uit een verslechtering van de sociale en politieke veiligheid, de aftocht van de buitenlandse NGO’s en een tekort aan VN fonds om zijn projecten te verwezenlijken. In 1994 waren er meer en meer conflicten tussen de twee partijen (KDP en PUK). In het begin was het de bedoeling om het land en het oliecontract met de Turkse grens te controleren, maar de inzet was geleidelijk aan de humanitaire hulp meer te beheersen. Deze locale partijen hadden er belang bij om de crisis te handhaven omdat de bevolking zwak en afhankelijk bleef. In 1997 tenslotte realiseerden de twee partijen zich dat niemand het conflict zou winnen, dus werd een demarcatielijn ingesteld. Die oplossing maakte het mogelijk voor de NGO’s een beter werk te bieden. De interne blokkade van het Noorden en de aankoop van olie door de VN hebben sommige vormen van “private entreprise” aangetrokken. Deze bedrijven waren meer lucratieve organisaties voor de persoonlijke verrijking van degenen die al macht in beide het Noorden en de regio’s onder overheidscontrole hadden. Dus werd de grootste verantwoordelijkheid van het welzijn systeem overgedragen van nationale en regionale overheden naar buitenlandse organisaties, verbonden met privé locale contractanten die enorme winsten oogstten van de humanitaire organisaties. In 1998 verbeterde die toestand aanzienlijk dankzij de ‘UNSC resolution 986’. Dit besluit eiste dat de olie-inkomsten voor de Iraki bevolking moesten gebruikt worden.
Tot slot kunnen we zeggen dat de humanitaire interventie in Iraki Koerdistan heel tegenstrijdig was. Aan de ene kant was de eerste bedoeling humanitaire hulp aan de bevolking te bieden, maar aan de andere kant was het heel duidelijk dat, achter dit humanitair karakter, er echte politieke motivaties waren.
Géraldine Woitrin
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
16:23:00
0
comments
Labels: Géraldine Woitrin, Wetenschappelijk
maandag 10 december 2007
“HUMANITAIRE INTERVENTIE”: internationale kaderschets en het “prille debat”
Inleiding
Het is misschien niet eenvoudig meer met op de achtergrond twee seminaries die handelen over het thema van deze blog, om het originaliteitsgehalte van de blogbijdragen te vrijwaren.
Toch doen we daartoe een poging, met als referentie een bijdrage aan de uitgave “Noord-Zuidcahier” van de toenmalige Vlaamse koepel van Derdewereld-NGO's NCOS, met de sprekende titel “Interventie”(1).
Het betreffende tijdschriftnummer dateert niet geheel toevallig uit begin 1992.
Het is immers vanaf 1989-90 dat het internationale discours en de academische en mediadiscussies omtrent humanitaire interventie (2) sterk opgang maakten.
Een dozijn bijdragen licht een aantal begrippen toe en bekijkt (humanitaire)interventie zowel geopolitiek, historisch, juridisch, bespreekt een aantal concrete cases (Nicaragua, het toen Zaïre geheten Congo, Joegoslavië), en verpoost bij de toekomstige rol van de VN hierin.
We selecteerden de bijdrage “De Nieuwe Wereldorde” van prof. L. Reychler (3), die ons om twee redenen interessant leek. Eerst worden een aantal ingrijpende wijzigingen in het mondiale kader geschetst waarin deze discoursverschuiving zich situeerde. Via een schets van de huidige en de zgn. nieuwe wereldorde, waarin ook méér kansen en aanvaarding van H.I. deel uitmaken, worden vervolgens naast een typering van H.I. vervolgens mogelijke argumenten pro en contra HI zoals die in de toenmalige debatten werden aangehaald, op een rijtje gezet. Het is immers op zich interessant te zien hoe gedacht werd in de vroegere fasen van het HI-debat. Een aantal commentaren kunnen misschien ingaan op eventuele accentverschuivingen die sedertdien zijn opgetreden.
Een gewijzigde internationale omgeving
Een vaststelling waarvan de auteur vertrekt, betreft de stroomversnelling inzake internationale veranderingen die rond eind jaren '80 plaatsvond, en die eigenlijk, zoals ook andere grote historische gebeurtenissen uit het verleden, niet voorspeld was. Dit zorgde voor veel onzekerheid bij wat kan worden omschreven als “de grote beleidscentra”.
De gewelddadige desintegratie van Joegoslavië, de USSR, de democratiseringsbewegingen en de implosie van een aantal Afrikaanse staten (Liberia, Somalië, ...), het einde van de eerste Golfoorlog dat een militair sterk doch zwaar verschuld Irak naliet,...
Een aantal oorzaken van het ontbreken van goede voorspellingen worden opgesomd, waarvan we hier weerhouden dat er teveel gefocust werd op de merkwaardige decennialange “Koude-Oorlogsstabiliteit”, en een aantal onderliggende “megatrends” zowel politiek ook academisch werden verwaarloosd.
Reychler probeert alvast bescheiden een aantal “megatrends” die zich volgens hem verder zullen doorzetten, te identificeren:
de revolutie van de informatiechnologie, die democratiserend werkt;
wereldwijde democratiseringsdruk, voor een deel geleid door nieuwe, beter opgeleide jonge generaties a.g.v. het Oosteuropese voorbeeld en het einde van de “wit-zwart”-apartheid die nu meer de “zwart-zwart”-apartheid op de voorgrond brengt
anti-democratiseringstrends als tegenreactie: “fundamentalisme”, extreem-rechts, stukken van de voormalige nomenclatura die zullen manoeuvreren in de nieuwe maatschappelijke ordening;
een toenemend “gemakkelijk cynisme” bij de publieke opinie in het westen, dat elk ideaal (4)) bij voorbaat wegwuift als mooi verpakt “eigenbelang”, en derhalve een constructieve aanpak van internationale problemen bemoeilijkt;
het 5000-200 probleem: ca. 5000 “etnische groepen” leven in ca. 200 staten, die het steeds moeilijker zullen hebben om die sluimerende conflicten te onderdrukken in het kader van de gewijzigde internationale omgeving;
een verschuiving van “harde” naar “zachte, coöpterende” macht: met militaire macht koopt men zich geen duurzame uitstraling, terwijl door de verspreiding van dit soort macht de kosten ervan sterk zijn toegenomen. Nationale cohesie, internationale organisaties, media en cultuur winnen daarentegen aan belang;
een nieuw, multipolair internationaal systeem met drie belangrijke wereldregio's en een handvol wereldmachten, die in één of meer regio's deel uitmaken van een eigen regionale multipolariteit, en niet noodzakelijk over één specifieke machtsvorm beschikken. Dit gegeven versterkt ook de rol van internationale organisaties;
een toegenomen aanvaarding én grotere kansen op succes van de humanitaire interventie, dat hij zelfs als “één van de vérreikende veranderingen in de internationale betrekkingen” kwalificeert. Vrede en veiligheid stoelen niet langer voornamelijk op wapenbeheersing en samenwerking, maar ook op minimale menselijke veiligheid, dewelke bedreigd wordt in geval van genocide, massamoord of foltering. Verschillende gebeurtenissen in de jaren '70 (Oost-Pakistan, Oeganda, Cambodja) en de toegenomen aandacht van media en NGO's hiervoor moeten dit onderstrepen;
de “America first”-houding zal toenemen: ofwel in de vorm van isolationisme ofwel van een unilateralistisch buitenlands politiek;
een conflictrijke wereld waarbij we toch even een aantal fenomenen die weerhouden die worden opgesomd, omdat ze dienstig kunnen zijn als achtergrond voor een verdere discussie inzake HI:
- etnonationalisme aangezwengeld door socio-economische ontberingen;
- latente interstatelijke spanningen die aan de oppervlakte komen;
- toenemende sociale ontreddering in een aantal regio's, met o.m. groei van allerlei vormen van criminaliteit
- groei van een “anti-politieke” houding;
- toenemende kans op proliferatie van ABC-wapens;
- toenemende economische achteruitgang en miliedegradatie in bepaalde gebieden
- migratiedruk;
- toenemende spanningen tussen Noord en Zuid annex demografische balansverschuivingen.
De wereldorde zoals die rond begin jaren '90 bestond, met het wegvallen van “Oost-Westcompetitie” had dus ingrijpende gevolgen voor de politieke, economische, sociale en militaire veiligheid van “het Zuiden”.
Fijntjes en ietwat “visionair” merkt de auteur het volgende op: “Indien de geallieerde interventie in de Perzische Golf (noot: die van 1991) als een niet te duur succes zal worden gewaardeerd en geen aanleiding zal geven tot langdurige regionale chaos, zal dit wellicht gelden als precedent voor een meer interventionistisch mundiaal veiligheidsregime”.
De “nieuwe wereldorde” waar veelvuldig naar verwezen wordt, was in oorsprong en in wezen een verwijzing naar zowel de feitelijk zich voltrekkende veranderingen als naar een wereldorde zoals die gewenst werd door verschillende grootmachten, dus niét alleen de VS.
Het is evenwel de speech van Bush sr. voor het Congres in sept. '90 in volle Golfcrisis die het begrip de invulling gaf die als referentie voor elk debat daarover zou gaan dienen (5).
In de “rule of law” die centraal werd gesteld, hield ondermeer uitdrukkelijk de optie van gebruik van door de “internationale gemeenschap” (een woord dat ook steeds meer zou opduiken) gelegitimeerde militaire macht ter handhaving van de beginselen van die “rule of law”.
Humanitaire interventie wint aan belang
Op die rol van “interventie”, in volkenrechtelijke termen gedefinieerd als “een inmenging in de binnen- of buitenlandse aangelegenheden van een andere staat, zonder dat deze laatste daartoe zijn toestemming heeft verleend”, wordt vervolgens dieper ingegaan.
Volgende typeringscriteria van interventies worden gehanteerd:
-niet-militaire versus militaire, waarbij verschillende vormen van peacekeeping en vredesvrijwarende rollen onderscheiden worden van het meer ingrijpende “peace enforcement”;
-unilaterale versus multilaterale interventie;
-legitimiteit: internationaal én door belangrijke groepen in de “doelwitstaat”;
-qua doelstellingen: veiligheid – milieu – humanitair;
Humanitaire interventie wordt vervolgens omschreven als “proportionele grensoverschrijdende hulp, met inbegrip van gewelddadige hulp, van regeringen aan de individuen van een andere staat wier mensenrechten worden geschonden.”(6)
Een toen actueel en veelbesproken voorbeeld dat wordt genoemd is de inrichting van veilige zones in Iraaks Koerdistan op basis van Resolutie 688 van de VN-Veiligheidsraad.
Pro's en contra's
De auteur erkent dat “interventie” als begrip door de diplomatieke tijden heen een zeer negatieve bijklank heeft verkregen. Toch merkt hij op dat een aantal vrij recente interventies op maar weinig internationale afkeuring konden rekenen: Oeganda in Tanzania ('79), India in Oost-Pakistan ('71), de Franse interventie tot afzetting van Bokassa in de Centraal-Afrikaanse republiek ('79). Hoewel hier geen enkele interveniërende staat zich uitdrukkelijk op een humanitair beginsel beriep, ziet de auteur hierin toch de kiemen van het later gehanteerde concept van de H.I.
Naast de hiervoor geschetste gewijzigde internationale context, droegen volgende factoren droegen bij tot een groeiende aanvaarding van de idee van H.I.:
toegenomen democratisering van de internationale politiek (media en NGO's);
groeiende bewustwording dat neutraliteit in asymmetrische conflicten in feite partialiteit betekent;
veranderingen in het vredesdenken, waarbij ook niet-militaire voorwaarden belangrijker worden (rol van de mensenrechten, band tussen interne en externe ontspanning, tussen veiligheid, welvaart en vrede);
toegenomen interne ontvoogdingsdrang in het Zuiden;
post-Koudeoorlogsomgeving met effecten op bepaalde regimes en het functioneren van de Veiligheidsraad (minder kans op “politieke blokkeringen”).
Ideaaltypisch kunnen drie houdingen tav H.I. worden onderscheiden:
1.absoluut verzet: alleen zelfverdediging wettigt geweldsgebruik;
2.pro beperkte interventie: slechts in gevallen van barbaarse mensenrechtenschendingen
3.de interventionistische strekking: ernstige schendingen volstaan (niet noodzakelijk genocide)
Contra
De argumenten van tegenstanders die worden aangehaald zijn de volgende:
- traditioneel niet-interventiebeginsel: soevereiniteit heeft steeds voorrang, zelfs ondemocratische regeringen vertegenwoordigen in deze kwesties “de bevolking”;
absoluut pacifisme;
- cultureel relativisme: onze waarden mogen niet worden opgelegd aan anderen, hetgeen moreel imperialisme zou impliceren;
- "elitisme": mensenrechten, waarvan de principiële universaliteit wordt erkend, kunnen echter maar gerealiseerd worden onder bepaalde sociale en economische voorwaarden;
- “samenzwering”: mensenrechtenpolitiek is niet meer dan een nieuwe dekmantel voor een westerse imperialistische politiek;
- gevaar van misbruiken en politiek van twee maten, twee gewichten: enkel kleine machten worden doelwit van H.I., risico op unilaterale interventies (bv. VS), ontstaan van een “kruisvaardersmentaliteit”
Pro
De auteur stelt onomwonden dat de argumenten van de interventionisten “zwaarder wegen”.
- ze respecteren wél de soevereiniteit, daar H.I. niet mag leiden tot territoriale aanwinst of politieke onderwerping;
- ze stellen wél dat de externe legitimiteit van regimes mee bepaald wordt door hun interne legitimiteit (“volkssoevereiniteit”);
- cultureel relativisme geldt niét voor de fundamentele mensenrechten (cfr. ook de “Universele Verklaring”);
- voor het overige worden de andere argumenten geneutraliseerd met het beklemtonen dat H.I. uiteraard aan strikt omschreven en tegelijk vervulde criteria of voorwaarden moet beantwoorden
Wat zijn dan die voorwaarden ?
- uiteraard mogen alleen humanitaire doelstellingen worden nagestreefd (alhoewel auteur in dit verband onomwonden voor een brede lezing opteert en zelfs “de omverwerping van dictatoriale regimes” hierbij vernoemd);
- respect voor het evenredigheidsbeginsel: éérst alle mogelijke vreedzame middelen uitpuren;
- voldoende internationale legitimiteit: VN, regionale steun,...
de ”slachtoffers” moeten de interventie positief waarderen. Opvallend is dat auteur hier weer resoluut gaat voor de “brede lezing” en stelt dat “H.I. een stevige hulp is voor individuen die opstaan tegen de tirannie, of zouden in opstand komen indien ze de kans kregen.”
Uiteraard is men alleen gebaat bij een effectieve H.I.:
- verwachte kosten en baten van interventieactoren zullen de wil tot een bijdrage aan de interventielasten bepalen (7);
- een adequaat interventievermogen impliceert goede predictie- en monitoringsystemen opdat middelen tijdig zouden kunnen ingezet worden. Dit impliceert o.a. de medewerking van de grootmachten (8);
- een strategische consensus: onenigheid over waarheen met een bepaald beleid, is nefast (bv. Balkancrisis en de E.U.). Daarom moet H.I. kaderen in bredere beleidsdoelstellingen die heel wat andere domeinen behelzen én vooral op preventie gericht zijn.
Conclusie
H.I. blijft ook in deze visie het corrigeren van een scheefgegroeide toestand en dient bij voorkeur vermeden te worden. In zijn uitwerking van “preventie” tenslotte vernauwt de auteur ten slotte dit begrip tot het bij voorbaat aflijnen van wélk gedrag door “de wereldgemeenschap” niet zal worden getolereerd, en het op poten zetten van goede systemen van conflictprognose en conflictbeheersing.
Voetnoten:
(1) Noord-Zuidcahier. Driemaandelijks tijdschrift voor ontwikkelingssamenwerking. Nr. 1, jg. 17 (maart 1992). Een uitgave van: Broederlijk Delen, NCOS, Bijeen. De besproken bijdrage is terug te vinden op blz. 25-42 van betreffend nummer.
(2) Verder afgekort tot “H.I.”
(3) Prof L. Reychler was toen prof. politieke wetenschappen aan de KUL.
(4) Betrokkene knipoogt hierbij wellicht ook naar het “onuitgesproken ideaal” van de H.I.
(5) Of hoe macht via “taal” ook het debat stuurt.
(6) Onze markering in vet.
(7) M.a.w. erkend wordt dat de belangen van de intervenanten een cruciale rol vervullen.
(8) “H.I. kan niet tegen grootmachten of zonder hun goedkeuring tegen andere bevriende landen gebruikt worden.” (blz. 40)
Geert Nauwelaerts
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
20:07:00
1 comments
Labels: Geert Nauwelaerts, Wetenschappelijk
zaterdag 17 november 2007
Problemen en uitdagingen voor "humanitarianism" in de 21ste eeuw
Om te beginnen moet er een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen humanitaire hulp (financiële, voedsel- en noodhulp) en humanitaire interventies (militaire operaties met het oog op peace-building en/of bescherming van volkeren buiten de eigen staat). Soms wordt hier geen onderscheid tussen gemaakt, wat verwarring kan veroorzaken. “Humanitarianism” geldt dan als verzamelnaam voor beide fenomenen. Het artikel handelt dus over beide aspecten en meer in het bijzonder over de voor- en nadelen, over nieuwe ontwikkelingen en toekomstige uitdagingen van humanitarianism. Wat zal de 21ste eeuw op het vlak van humanitaire hulp en interventies brengen?
Ik zal mij trachten te concentreren op de interventies, aangezien deze het meest naar voor kwamen in de cursusteksten. De auteur brengt enkele kritische bedenkingen naar voor over de praktijk van het hulp verlenen. In vele gevallen kwam deze hulp te laat en werd ze te lang en te veel verstrekt… Hoewel de auteur hier niet verder op ingaat, raken we hier al een belangrijk aspect van het spanningsveld dat het overkoepelende onderwerp is van deze blog. Dat de hulp veelal te laat komt lijkt mij logisch: in het internationale toneel vertragen de beslissingmechanismen alle acties en vooraleer men een algemene consensus heeft lijkt het ergste leed al geleden. Dit is vooral het geval bij “peace enforcement” en “peace keeping” operaties, zoals het geval is bij genociden, etnische zuiveringen, grootschalige repressie,… Verschillende belangen en visies op concepten als mensenrechten, genocide en etnisch geweld, kunnen hier mede aan de basis liggen. Te veel en te lang lijken iets minder vanzelfsprekend. Wanneer humanitaire hulp of interventies echter over een te lange periode worden toegepast, krijgt men echter een soort gewenning bij de ontvangende landen/bevolking. Ze worden te zeer afhankelijk van deze hulp waardoor ze niet meer autonoom kunnen functioneren. Voedselhulp kan bijvoorbeeld de lokale markt verstoren, waardoor vele boeren zonder inkomen komen te zitten. Voor militaire interventies is dit moeilijker in te beelden, aangezien zij de orde en stabiliteit moeten herstellen, maar langdurige aanwezigheid kan ook hier perverse effecten hebben. Een eerste voorbeeld kan misschien de interventie van Syrië in Libanon zijn tijdens de burgeroorlog: na verloop van tijd was niet het Libanese leger of overheid aan de macht, maar de Syrische troepen samen met marionetregeringen en presidenten. Andere “failed-states” dreigen met een zelfde dynamiek te maken te krijgen. De de facto macht ligt bij de buitenlandse krachten (leger, diplomaten, …), die na verloop van tijd de volledige functies van het overheidsapparaat op zich nemen en die volledig instaan voor de heropbouw van een vorm van bestuur, die veelal de afspiegeling van of een vorm die in het belang is van de interventionisten is. Elke interventie dreigt tot een groeiende inmenging van interne aangelegenheden te leiden, ongeacht de aanvankelijke intenties.
Dit leidt tot een volgende gevolgtrekking van de auteur; humanitarianism wordt/werd steeds meer een complexe aangelegenheid. Met de toenemende trend van intrastatelijke oorlogen, oorlogseconomieën en etnisch geweld is het voor de hulpverleners, staten en legers steeds moeilijker geworden om onpartijdig en neutraal te zijn. Humanitaire hulp heeft de toelating nodig van de overheid van de ontvangende landen, waardoor deze hulp strategische gebruikt kan worden. Wie krijgt hulp en wie niet? Partijdigheid speelt nog een grotere rol in humanitaire interventies. Men intervenieert altijd in het belang van een bepaald deel van de bevolking ( prefereerbaar voor de gehele bevolking of het algemeen belang). Dit, soms in het nadeel of zelfs tegen de huidige regering van het land. Maar het is echter nodig dat men steun krijgt vanuit het land, en dus partijdig is, want zonder steunpunten krijgt men een legitimiteitscrisis, vergelijkbaar met de situatie in Somalië in de jaren 90 en Irak (waarmee ik zeker niet wil alluderen dat het hier om humanitaire interventie ging).
Hoewel het artikel een aantal pijnpunten aanhaalt in verband met humanitarianism, schiet het ruimschoots te kort op het vlak van richtlijnen, oplossingen of concrete doelstellingen voor humanitaire hulp/interventie. Op dit vlak wordt er vooral gehandeld over de noodzaak aan coördinatie (tussen internationale en nationale actoren, tussen NGO’s, regeringen en militaire bevelhebbers) en follow-up, evaluatie en zelfkritiek met het oogmerk lessen te trekken uit operaties, projecten of hulpprogramma’s. Aspecten als legitimiteit, neutraliteit, de lengte van operaties en hulp, de manier van toepassing en andere meer concrete zaken worden niet besproken. Zaken als intenties, legitimiteit, rechtvaardigheid en specifieke voorwaarden of richtlijnen voor humanitaire hulp of ,meer bepaald voor dit onderwerp, militaire interventies worden nauwelijks besproken in dit of andere artikels. Met het falen van het Irak-beleid en het lang aanslepende conflict in Soedan, begint die discussie op sommige plaatsen eindelijk meer aandacht te krijgen. De afwezigheid van duidelijke criteria voor het interveniëren en regels bij de interventie, zorgt voor een grote mate van willekeur. De mogelijkheid van individuele staten tot interventie, leidt niet alleen tot vragen over legaliteit, maar ook over de legitimiteit. Dit kan deels verklaard worden door de vaagheid van concepten als mensenrechtenschending, genocide en etnische zuivering: de afwezigheid van internationale standaarden en criteria, die vaak het gevolg is van nationale en/of diplomatieke belangen. Een situatie waarbij case per case wordt beschouwd, in plaats van op basis van meer objectieve maatstaven, zal altijd onderhevig zijn aan bias door politiek/economische allianties en realpolitiek.
Een lichtend voorbeeld vormt deze tekst op het vlak van coördinatie. Niet alleen moeten verschillende vormen van humanitaire hulp en mogelijk interventies op elkaar afgestemd worden, ook verschillende actoren moeten meer samenwerken en informatie doorspelen. Regeringen, legers en NGO’s zouden hun beleid beter op elkaar moeten afstemmen en acties coördineren om samen een vlot geoliede machine te vormen, ten behoeve van de bevolking van de desbetreffende landen ( en niet zo zeer voor de eigen agenda). Hoewel een gedeelde strategie door de verschillende uitgangspunten, concrete doelen en perspectieven onmogelijk en deels ook niet gewenst is, lijken constante discussies over schuldvragen, juiste intenties en middelen ook weinig productief. Vanuit het eigen groot gelijk handelen in naam van een bevolking, zonder met actoren ter plaatse (zij het nu exogene of endogene) te overleggen, zoals vele gouvernementele en zelfs niet-gouvernementele organisaties doen, kan alleen leiden tot tegenstrijdige strategieën. De auteur ziet echter tekens van geleidelijke evolutie naar meer samenwerking en zelfreflectie van de humanitaire sector en hoopt daarmee dat de 21ste eeuw een eeuw van verbeterd humanitarianism wordt.
Van Nijverseel Gerrit
Posted by
Thomas Bomans, Chris Claes, Wouter Jegers, Eva Maes, Gerrit Muylaert, Geert Nauwelaerts, Charles-Henry Van Cappellen, Gerrit Van Nijverseel en Geraldine Woitrin
at
11:26:00
2
comments
Labels: Gerrit Van Nijverseel, Wetenschappelijk