Welkom iedereen!

Het doel van deze blog is een realistisch, genuanceerd - misschien zelfs ontnuchterend - beeld te schetsen van de internationale dynamiek die vandaag de dag plaats vindt onder het vaandel van mensenrechten, democratie, vrijheid en zo meer.

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog en belangrijker nog, de dekolonisatiebeweging die daarop volgde, lijkt de uitbreidingsdrang van de grote mogendheden voorgoed voorbij te zijn. Op het eerste zicht lijkt het wel of het imperialisme van de 19e en eerste helft van de 20ste eeuw plaats maakten voor humanitaire en ontwikkelingshulp, het promoten en ondersteunen van democratische bewegingen, (internationale) bescherming van sociale en mensenrechten. De nadruk wordt telkens weer op het belang van allerhande vrijheden gelegd (vrijheid van meningsuiting, van vergadering, kortom van quasi alle denken en doen). Deze goede bedoelingen zouden moeten blijken uit onder andere ongebonden voedselhulp, gunstige handelsvoorwaarden, kapitaalvoordelen, tot het - soms zelfs gewapend - optreden tegen dictaturen van allerlei pluimage.

Maar klopt het wel dat zulke acties oprecht gebeuren vanuit een humanitaire overweging? Wordt voedselhulp misschien gebruikt om productieoverschotten te dumpen, ontwikkelingshulp om politieke druk uit te oefenen, kapitaalvoordelen om te beleggen in nieuwe markten en militair ingrijpen om goedkopere olie op te pompen? In hoeverre is het humanitarisme enkel een dun laagje om de keiharde en kille machtspolitiek van allerhande machten in de wereldpolitiek op te smukken? In hoeverre is humanitarisme de spreekwoordelijke wolf met het zachte schapenvachtje om? In hoeverre is humanitarisme enkel een andere naam voor het 'oude' imperialisme?

Wetende dat de waarheid niet zwart-wit is, zouden we via een levendige en genuanceerde discussie graag hier en daar wat kleurtinten aanbrengen. Zodoende zullen we trachten een begin tot antwoord te vormen op voorgaande vragen.

dinsdag 11 december 2007

De verschillende waarheden van humanitaire interventies




In Somalië heeft de grootste humanitaire crisis van het Afrikaanse continent van dit moment plaats. Toch krijgt het land nog minder media aandacht dan de gebeurtenissen in Darfur. Hongersnood, anarchie, warlords en decennia van geweld zorgden reeds voor een groot aantal vluchtelingen, die in 2007 alleen nog maar gestegen zijn. Politieke instabiliteit en burgeroorlog hebben het land verscheurd, terwijl economische ontwikkeling vrijwel tot nul is gereduceerd. Vele inwoners kijken naar het “westen” voor hulp. Toch heeft Somalië in 15 jaar tijd twee interventies gekend van de supermacht die er prat op gaat democratie en stabiliteit te verspreiden op elk gebied waar hun soldaten voet aan grond zetten: de V.S.

Somalië is echter het perfecte voorbeeld welke perverse effecten een humanitaire interventie of politieke, diplomatische en/of militaire ruggesteun kunnen hebben. Meeste mensen weten dat de V.S. in de vroege jaren 90 militair intervenieerde in Somalië, dat verwikkelt was in een burgeroorlog en een grote hongersnood kende. Beide waren voor het overgrote deel het gevolg van het regime van president Barre. Velen weten echter niet dat de V.S. dit regime financieel en materieel steunde, en dat deze hulp de grootschalige repressie van het leger aan de vooravond van de burgeroorlog mogelijk maakte. De Amerikaanse troepen die de hulpverlening in het land mogelijk moesten maken (voedselhulp werd voordien door de krijgsheren opgeëist), werden dan ook door de Somalische bevolking aanzien als steunverleners van het autoritaire regime. De militaire interventie liep snel uit op een fiasco en de troepen trokken zich terug, waarbij het land in chaos werd achtergelaten.

De oorlog tussen de warlords nam pas in 2004 geleidelijk af, waarbij een overgangsregering werd gevormd (met deelname van enkele van deze krijgsheren). Een effectieve centrale regering werd dit echter niet en anarchie bleef heersen. Islamitische organisaties vonden in deze situatie een goede voedingsbodem en kregen steeds meer de steun van de bevolking, wat in 2006 zelfs tot een confrontatie leidde tussen de krijgsheren van Mogadishu en de Verenigde Islamitische Rechtbanken (UIC). De UIC begon steeds meer macht en controle te verwerven en voor het eerst sinds het begin van de burgeroorlog was er een centrale autoriteit met relatieve controle over het land en een bescheiden vorm van stabiliteit. De toegevoegde video’s handelen voor het overgrote deel over de gebeurtenissen die hierop volgden.

Somalia in Crisis (deel 1)


deel 2)


Ethiopië, een bondgenoot van de V.S., intervenieert in het voordeel van de overgangsregering, die gevlucht was naar Ethiopië, en verdrijft de UIC naar het zuiden van het land. Over de ware toedracht van de invasie bestaat er discussie (eigenbelang, stabiliteit van de regio, Islamisten als gevaar,…). Ook over het succes van de interventie en de manier waarop men het land onder controle poogt te krijgen, bestaat er onenigheid. In vele westerse (lees: vooral Amerikaanse) media werd de invasie bejubeld en was de Ethiopische interventie noodzakelijk om de humanitaire crisis in de Hoorn van Afrika een halt toe te roepen ( een voorbeeld is het fragment van CNN). Daarenboven wordt de UIC gelijkgesteld met Al-Qaida of (afhankelijk van de bron) ervan verdacht Al-Qaida leden in het land te herbergen, waarbij het “regime”, in analogie met de Taliban, verder gedelegitimeerd werd door het te hebben over het fundamentalisme en de mogelijke mensenrechtenschendingen van de UIC. Volgens andere bronnen steunen de V.S. en Ethiopië een onpopulaire marionettenregering en begaan zij zelf verregaande schendingen van mensenrechten (fragment van Democracy Now). De strijd voor de hearts and minds wordt dan ook niet alleen in Somalië gevoerd, maar daarenboven in de V.S. zelf. Zeker wanneer het gaat om hét thema van de Amerikaanse buitenlandse politiek: de War on Terror en Al-Qaida.


Democracy Now: http://www.youtube.com/watch?v=zDlS4VYQUx8

De Amerikaanse betrokkenheid in Somalië in het “post 9/11 tijdperk” kan dan ook gezien worden vanuit hun strijd tegen het “Islam terrorisme”. Zo werden niet alleen de krijgsheren gesteund in hun strijd tegen de UIC, maar voerden Amerikaanse vliegtuigen ook zware bombardementen uit, gericht tegen “3 à 5 Al-Qaida leden” (!), maar met vele (meer dan waarschijnlijk onschuldige) burgerslachtoffers als gevolg. De gelijkenissen met de steun aan het Barre regime is meer dan toevallig: toen was die steun “noodzakelijk” in de strijd tegen het communisme, op dat moment zelfs vooral gericht tegen huidig bondgenoot Ethiopië. De steun voor de huidige onbekwame regering is vooral het gevolg van de terreur paranoia (of zelfs Islam paranoia) die het buitenlandsbeleid van Bush karakteriseert. Het gebruik van concepten als Jihad en Sharia door de UIC werden daarom als oorlogsverklaringen beschouwd. Ook het dogma dat de “failed states” enerzijds een voedingsbodem en anderzijds een toevluchtsoord vormen voor Islamfundamentalisten, door de State Departement subtiel gelijkgesteld met Al-Qaida, rechtvaardigt volgens velen een actie in Somalië. Toch werden de acties van vader en zoon Bush weergegeven als een vorm van moreel imperialisme: het streven naar democratie en stabiliteit, wat in realiteit een agenda inhoudt om het land om te vormen naar eigen visie en wensen. De “New World Order” van Bush Senior en de strijd tegen Islam(terreur) van Bush Junior zijn dan ook vooral toonbeelden van blauwdrukken om de wereld, het zuiden voorop, om te hervormen naar eigen voorbeeld. Failed states moeten van “scratch” opgebouwd worden, eventueel met hard militair ingrijpen. Elke vorm van fundamentalisme moet verbannen worden en gematigden, wat meestal wil zeggen; de bondgenoten van de V.S., moeten de macht krijgen en behouden. Het einddoel is dan niet alleen allianties met deze staten, wat economische en andere voordelen met zich meebrengt, maar ook internationale stabiliteit door het idee dat tussen democratieën geen oorlog wordt gevoerd en uit democratieën geen terroristen voortkomen. De validiteit van deze stelling is natuurlijk twijfelachtig, maar toont toch ook de redenering achter de toegenomen “verveiliging van hulp”. De acties in Somalië moeten dan ook niet als acties ter bevordering van de democratie of stabiliteit an sich worden gezien, maar als acties tegen islamfundamentalisme, dé dreiging van de V.S. Dat dit structurele oplossingen voor de desbetreffende landen in de weg staat, lijkt met het voorbeeld van Somalië reeds bewezen. Humanitaire interventies in het belang van de staten in het zuiden zijn nog steeds niet de norm, en zal het in dit “nieuwe tijdperk” voor de V.S. ook niet worden.

Van Nijverseel Gerrit

Darfoer: en de boer ploegde voort. Over een humanitaire catastrofe en botsende belangen.

Hoewel de burgeroorlog in Darfoer (Sudan) al ongeveer een kleine vijf jaren aan de gang is, wordt er eigenlijk internationaal nog niet zo lang aandacht aan besteed. Populaire liedjes zoals ‘Living Darfur’ van Mattafix of acties zoals die van Google waarbij men tracht het grote publiek te informeren omtrent de situatie in Darfoer - via Google Earth kan men immers terugvinden welke dorpjes allemaal afgebrand werden in het conflict (en informatie hierover) – lijken de mensheid terug een geweten te willen inschoppen. Begrijpelijk na het debacle van de Rwandese genocide in 1994, waarbij meer dan 500.000 doden vielen. De verontwaardiging omtrent de ontsporingen in Darfoer, zoals die bestaat bij het (grote) publiek, lijkt ingegeven te zijn vanuit een oprechte bekommernis omtrent de gevolgen van de burgeroorlog voor de lokale bevolking.

Op 31 juli 2007 wordt uiteindelijk, na lang gepalaver, de oprichting van een hybride vredesmacht (van de Afrikaanse Unie (AU) en de Verenigde Naties) door resolutie 1769 van de VN Veiligheidsraad goedgekeurd. Heeft de internationale gemeenschap dan toch geleerd uit het verleden? Zal UNAMID, met een mandaat om de bevolking en humanitaire transporten in geval van nood gewapenderhand te verdedigen, nog erger – er zijn immers volgens schattingen al van 200.000 tot 450.000 doden gevallen – kunnen voorkomen? Is de motivatie van de internationale gemeenschap om alsnog in te grijpen, te zoeken in een bekommernis omtrent de gevolgen van het conflict voor de bevolking of liggen er misschien andere drijfveren aan ten gronde? Hoewel een uiteenzetting van de geschiedenis van het conflict in Darfoer ons in deze blog te ver zou leiden (zie daarvoor bijv. de bijzonder uitgebreide bijdrage op de Engelstalige pagina’s van wikipedia over het conflict in Darfur: http://en.wikipedia.org/wiki/Darfur_conflict), is het in deze context bijzonder interessant de retoriek van de verschillende spelers op het wereldtoneel, maar ook hun onderliggende motivaties, eens onder de loep te nemen.

Volgende bijdrage van Al-Jazeera omtrent het conflict in Darfoer, lijkt de verklaring voor de interesse van de grootmogendheden in Darfoer alvast heel ergens anders te zoeken. Niet het lijden van de honderdduizenden al dan niet ontheemde inwoners van Darfoer, zou de oorzaak van de interesse van vele landen in dit conflict zijn, maar wel de enorme olie- en gasreserves die onder Soedanees grondgebied gevonden zijn.



Aangezien zowel de Chinese, als de Amerikaanse en Europese economieën energie verslinden, is het logisch dat de respectievelijke regeringen voortdurend op zoek zijn naar nieuwe bronnen die aangeboord kunnen worden om hun energievoorziening veilig te stellen. Voorlopig lijkt China evenwel als enige deftig voet aan grond te krijgen in Khartoum en bijgevolg ook als enige invloed te kunnen uitoefenen op Soedan.

Het mag dan ook niet verbazen dat China het voornaamste permanente lid van de Veiligheidsraad (naast Rusland) is, dat het Soedanese regime verdedigt tegen de Westerse aantijgingen van schendingen van het internationale en humanitaire recht.


Verscheidene pogingen om resoluties m.b.t. tot economische en niet-militaire sancties t.a.v. het regime in Khartoum goed te keuren, stootten de voorbije jaren dan ook in de VN Veiligheidsraad op een veto van China en/of Rusland. Resoluties die toch goedgekeurd werden gedurende de voorbije jaren, werden zwaar afgezwakt teneinde China en/of Rusland zo ver te krijgen zich te onthouden bij een stemming.

De bestaande resoluties ten spijt (zoals resolutie 1591 van 27 maart 2005 dat een bestaand wapenembargo uitbreidt met de mogelijkheid tot selectieve sancties), wijzen vele rapporten van internationale mensenrechtenorganisaties op de systematische schending ervan door o.a. net China en Rusland. Wapens en militair materiaal afkomstig uit voornoemde landen worden volgens deze organisaties immers voortdurend ingezet door zowel de regering als de Janjaweed milities (gewapend door de regering) om de strijd in Darfoer voort te zetten. Vliegtuigen die bombardementen uitvoeren zouden volgens sommige bronnen zelfs doelbewust wit geverfd worden (net zoals vliegtuigen van de VN), teneinde de bevolking en de actieve mensenrechtenorganisaties te misleiden.

Amerikaanse media laten om evidente redenen dan ook geen kans voorbij gaan om de rol en het aandeel van vnl. China in de massamoorden in Darfoer te becommentariëren. Volgende bijdrage van een Amerikaanse zender illustreert:



Beide bijdragen illustreren duidelijk dat China op het internationale toneel op een zeer slappe koord dient te balanceren waarbij het enerzijds zijn eigen belangen in Soedan dient af te wegen tegen anderzijds de internationale druk tot ingrijpen in het Oost-Afrikaanse land. De recente goedkeuring van de hybride vredesmacht UNAMID door zowel China als - nog belangrijker - de regering van Soedan zou kunnen wijzen op een koerswijziging in het Chinese beleid. Bij een eerdere goedkeuring van een niet-hybride VN vredesmacht (VN Veiligheidsraad Resolutie 1706) voerde China immers zwaar oppositie en wist het de resolutie volledig uit te hollen (en onthield zich vervolgens samen met Rusland en Qatar van de stemming). Bovendien weigerde Soedan, met de impliciete steun van China, toen immers ook resoluut de vredesmacht op haar grondgebied te laten opereren. De Soedanese regering verklaarde al snel dat zulk een actie beschouwd zou worden als een imperialistische inmenging van buitenlandse mogendheden in de interne keuken van Soedan. De dag na het stemmen van de resolutie intensifieerde het regime in Khartoem dan ook prompt de aanvallen op de verschillende rebellengroepen in Darfoer. Hoewel het momenteel nog afwachten is, of en hoe UNAMID effectief zijn autoriteit zal kunnen laten gelden op het terrein, kan de steun van China (de resolutie werd immers bij unanimiteit goedgekeurd) aan het stevige mandaat voor UNAMID gezien worden als een toegeving aan de internationale druk door landen als de V.S., Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Desalniettemin laat China zijn steun voor het Soedanese regime verre van vallen. Elke mogelijkheid om het vredesproces te vertragen wordt steevast gegrepen. Illustratief daarvoor is bijv. de commentaar op de houding van China in het slot van volgende bijdrage:


In en rondetafelconferentie op initiatief van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk (onderhandelingen in het kader van de oprichting van de hybride vredesmacht) zetten de Westerse landen China en Soedan onder druk door enerzijds te dreigen met ingrijpen in Darfoer (“Il faudra être ferme”), maar anderzijds worden er ook geluiden de wereld ingestuurd van economische compensaties indien Soedan bereid is mee te werken (“nous l’aiderons puisement”) (i.e. de tactiek van de ‘carrots and sticks’). Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat China een sleutelpositie bekleedt in de onderhandelingen om de impasse te doorbreken. Het feit dat China mee rond tafel zit, is in dat opzicht alleen al een overwinning voor de organisatoren. De Westerse landen drukken er tijdens de onderhandelingen dan ook op dat China zijn invloed moet aanwenden om het regime in Khartoem onder druk te zetten. Hoewel China publiekelijk nooit expliciet tegen Soedan zal pleiten, wat indachtig interne politieke kwesties als die van Tibet niet verbazingwekkend zal zijn, lijkt China evenwel toch te beseffen dat het niet houdbaar is het Soedanese regime ten alle koste te verdedigen. China dient immers ook rekening te houden met belangen op en in andere gebieden, waar de geopolitieke kaarten mogelijk anders liggen. Niet in het minst is China zich ook bewust van de gevoeligheid van de publieke opinie t.a.v. mensenrechten en de daaraan gerelateerde schendingen. Aangezien China op dat gebied zelf niet van elke kritiek gevrijwaard is, beseft men in Peking maar al te goed dat de rol van de media en de publieke opinie niet onderschat mag worden. De toegenomen media-aandacht voor het conflict in Darfoer zal daar zeker niet vreemd aan zijn.

We kunnen besluiten dat er achter het conflict in Darfoer veel meer schuilt dan de oppervlakkige mensenrechtenretoriek zoals die in bovenstaande bijdragen door de Westerse protagonisten graag in de media ten tonele gebracht wordt. Achter het conflict tussen enerzijds de verschillende rebellengroeperingen en anderzijds de centrale regering in Khartoem en de Janjaweed-milities in Soedan, schuilt veel meer dan een conflict om water, vruchtbare grond en inspraak in de eigen bodemschatten. Wanneer de kaart met olievoorraden over de kaart van het conflictgebied geschoven wordt, zal snel duidelijk worden dat er ook andere factoren meespelen. Zou het kunnen dat een gebrek aan kostbare bodemrijkdommen één van de redenen is waarom de internationale gemeenschap algemeen genomen terughoudend was om in te grijpen in Rwanda in 1994? Of heeft men lessen getrokken uit het verleden en is de huidige interesse van de Westerse machten wel degelijk te verklaren vanuit een oprechte bekommernis om het lijden van de burgerbevolking in Darfoer? Het mag in ieder geval duidelijk zijn dat er momenteel een machtsspel uitgestreden wordt in Soedan tussen enerzijds China (en Rusland) en anderzijds een blok van Westerse landen. Sommige landen zullen allicht wel degelijk gemotiveerd zijn om in te grijpen vanuit een oprechte aandacht voor de verzuchtingen van de publieke opinie, maar dat belet geenszins dat het mensenrechtendiscours ook ten dele handig gebruikt wordt om geopolitieke doelstellingen na te streven. Allicht zal het, zoals de geschiedenis wel vaker heeft uitgewezen, waarschijnlijk op een akkoordje gegooid worden waarbij geen van de geïnteresseerde partijen gezichtsverlies hoeft te lijden, waarbij de internationale oliemaatschappijen de concessies onder elkaar verdelen, het establishment in Khartoem ook haar deel van de winst opstrijkt en de inwoners van Darfoer, waar het gisteren nog allemaal om ging, hun dagelijkse strijd om te overleven simpelweg voortzetten… En de boer ploegde voort…


Thomas Bomans

Bricmonts stellingen: enkele persoonlijke bedenkingen en commentaren

De bedenkingen hierna geformuleerd zijn louter persoonlijke bedenkingen die verwijzen naar het inleidend presentatieartikel in “Le Monde Diplomatique” dat summier J. Bricmonts visie op “humanitaire interventie” toelicht.
Er wordt verwezen naar een paar publicaties.

1. Bricmonts probleemstelling gaat er -ook bij de keuze van zijn voorbeelden- van uit dat het de Amerikaanse troepen zijn die een “H.I.” ondernemen.
Vervolgens stelt hij dat zij die vóór H.I. zijn géén controle hebben op die macht en ze derhalve ook niet kunnen controleren tijdens de uitvoering van de H.I., en dus beter afzien van het verdedigen van H.I..

Ik denk dat hij terecht zéér kritisch is t.a.v. dit soort “westerse” militaire, unilaterale interventies; helaas gaat hij niet in op pleidooien en visies -die m.i. niet allemaal eenvoudigweg afkomstig zijn van politici, juristen, activisten enz. met weinig integere bedoelingen- welke pleiten voor de nodige institutionele veranderingen, procedures, mechanismen en strikte voorwaarden inzake H.I., zowel qua
vaststelling van de mensenrechtenschendingen;
internationale en interne legitimiteit;
uitbouw van geschikte interventiemacht, mandaat en operationele voorwaarden ervan;
beperking van duur en effectieve en periodieke controle op de interventie;
inschatting van de effectiviteit en kosten-baten;
nazorg (1)

Uiteraard is het grote probleem in de hele discussie er misschien één van de “kwadratuur van de cirkel”. Ik tracht te verduidelijken.

Ten eerste koesteren vele oprechte (relatieve) voorstanders van H.I. verwachtingen ten aanzien van de VN-instanties (Veiligheidsraad, Algemene Vergadering, Mensenrechtencommisie “nieuwe stijl”,...), maar beseffen dat de werking van de Veiligheidsraad door één veto kan worden verlamd.

Vandaar dat velen dit probleem dan weer trachten op te lossen door te stellen dat dan maar buiten de VN om moet kunnen opgetreden worden, zolang er maar voldoende legitimiteit is (2). Als er al praktische voorbeelden inzake veto's gegeven worden betreft het dan meestal veto's van Russische of Chinese zijde (bv. inzake Darfour). Een optreden ter uitvoering van VN-resoluties t.a.v. Israël wordt meestal niet vermeld, wellicht omdat men hier op de feitelijke grenzen van de concrete praktijk van H.I. botst. Iedereen weet van wie dan een veto zou stellen.
Het voorbeeld dat ik aanhaal is geen loos voorbeeld; voor heel wat voorstanders van H.I. moet er immer niet noodzakelijk van genocide sprake zijn, maar kunnen “ernstige mensenrechtenschendingen volstaan”.

Tweede probleem is dat van de “materiële interventiemacht”: daarvoor moeten mankracht, middelen en knowhow ter beschikking worden gesteld. Moeizaam verlopen reeds de processen tot opbouw van een Europese strijdmacht (proces dat in aanzienlijke mate mee door het militair-industrieel complex wordt gestuurd én gericht is op Europese belangenverdediging, en niet “H.I.”), laat staan dat er enige wil is bij overheden om middelen ter beschikking te stellen van één of andere “humanitair interventiekorps”.
Instituties -en zeker ook militaire korpsen- zijn steeds product van hun samenstellende delen (in dit geval delen van staatsapparaten waarvan de neutraliteit al evenzeer voorwerp van discussie kan zijn), krachtsverhoudingen en belangenconvergenties zoals die op een bepaald moment bestaan en geconsolideerd worden.
Bricmont vindt deze vaststellingen wellicht zo vanzelfsprekend, dat ze hem er impliciet toe brengen enkel de feitelijke praktijk van min of meer unilaterale interventie van belangrijke westerse machten (in casu de VS) tot uitgangspunt van zijn kritische analyse te nemen (ook al kan en werd de invasie van Irak veeleer als een zgn. “veiligheidsinterventie” dan wel een H.I. te noemen).

Derde probleem heeft betrekking op de (internationale) legitimiteit: hoe ondermeer verhinderen dat legitimiteit “gekocht” wordt ? Denken we maar aan de indrukwekkende en goed uitgekiende pogingen inzake “manufacturing consent” die de VS er op enkele maanden tijd deed in slagen van een brede internationale alliantie “voor de bevrijding van Koeweit” te smeden, met inbegrip van nauwelijkse verhulde “omkoping” (met kwijtschelding van aanzienlijke schuldbedragen voor Egypte en Polen).
Weerom stelt zich hier de kwestie van de machtsverhoudingen (en dus “politiek”).
Méér dan om het even welk ander rechtsgebied is het “volkenrecht” voor wat zijn concrete invulling betreft hieraan onderhevig.
Ook de rol, onafhankelijkheid en eventuele selectiviteit van belangrijke mediakanalen dient hier kritisch te worden benaderd. Waarom wordt over de ene tragedie al vrij snel bericht (vaak “natuurrampen”), over de andere langzaam (Darfour), en over de andere wanneer ze zich al haast voltrokken heeft (oostelijk Congo), of wordt weliswaar reële, doch relatief beperkte menselijke conflictschade als “grote tragedie die tot zeer snel handelen noopt” voorgesteld (bv. Kosovo in 1999) ?

2.Terecht wordt voor het soort interventies die hij op de korrel neemt ook de reële inhoud van de “democratische principes” die met het optreden worden verdedigd, in vraag gesteld, ook al omdat de optreders zelf nauwelijks democratisch te noemen zijn.
Noam Chomsky schreef in de jaren '70 een veelbesproken en pas na het afschuimen van heel wat uitgevers gepubliceerd tweedelig werk “The Washington Connection” dat opent met een schema genaamd “The Sun and its planets: coyntries using torture on an administrative basis in 1970s, with their parent-client affiliations”. Met “The sun” wordt hier de VS bedoeld.
Van de 35 landen die wereldwijd tot “reguliere folteraars” mogen worden gerekend, behoren er maar liefst 26 (waaronder 3 Europese staten) zéér duidelijk tot de Amerikaanse invloedssfeer, waarvoor de VS tussen 1950 en 1975 ruim 200.000 militaire kaders trainden en 37 miljard dollar militaire hulp verschaften. Al zéér lang voor Bush jr. en de “war on terror” blijkt er dus één en ander niet helemaal met “democratische” of “humanitaire” beginselen te stroken in het Amerikaanse buitenlandse beleid (3).

3. Als enige aanzet tot alternatief roept Bricmont op tot totale niet-inmenging:
Nous n’avons pas de solution aux problèmes des autres, et par conséquent nous ferions mieux de ne pas nous mêler de leurs affaires (...) Les anticolonialistes britanniques ne pouvaient pas garantir que la fin de l’empire des Indes ne se passerait pas de façon tragique. Etait-ce une raison pour demander que l’Angleterre occupe l’Inde indéfiniment ? »

Bricmont spreekt m.i. zichtzelf hier toch enigszins tegen. Enerzijds gaat hij uit van een centrum-periferiemodel (cfr. zijn historische visie die blijkt uit het slotcitaat van Churchill uit 1914 waarnaar verwezen wordt), een visie die er juist veel oog heeft voor hoe de periferie ook nu nog diep getekend wordt door de “imperialistische overheersing door het centrum”, met alle gevolgen vandien op sociaal, cultureel, economisch, infrastructureel, demografisch,... vlak.
In hoeverre mate kun je dan de uitdrukking “problèmes des autres”, “leurs afffaires” gebruiken ?
Anders riskeer je ongewild van dezelfde uitganspunten inzake wereldbeeld te vertrekken als heel wat voorstanders van H.I. die als premisse ook uitgaan van een “wij als democratisch westen, bakermat van mensenrechten” versus “zij waar die ideeën om allerlei redenen vaak zwaar geweld wordt aangedaan” (een soort dualistische visie) en “wij” en “zij” niet als verschillende gebieden met elk een eigen historiek binnen een “wereldsysteem” (totaliteitsvisie).

Hij past dit ook toe in een poging tot formulering van een “what now ?” voor het Irak van anno 2007. Er IS een nieuwe toestand gecreëerd door de interventie van 2003, op welke leugenachtige en ongerechtvaardigde gronden deze interventie ook gebaseerd was.
Het unilaterale karakter van de Amerikaans-Britse inval was erg duidelijk, de internationale legitimiteit véél geringer dan de weliswaar met allerlei “making consent” -technieken gefabriceerde internationale consensus van 1990-1991 na de Iraakse invasie in Koeweit.
Dat de bezettingstroepen dienen te worden teruggetrokken, lijkt me plausibel en gerechtvaardigd, ook al omdat hun aanwezigheid wellicht een grotere factor van instabiliteit en gewapende escalatie dan wel stabiliteit is.
Desalniettemin, indien men zich in de plaats van een “antioorlogsbeweging” stelt, laat de concrete vertolking van algemene principes (in dit geval: onmiddellijke terugtrekking, laat ze nu “hun problemen” oplossen) hier -gezien zijn bovenvermelde categorieke oordeel- toch enigszins te wensen over.

Immers, “hun problemen” zijn nu door de jarenlange gang van zaken, in grote mate ook niet meer “hun problemen” geworden. De kaarten werden door elkaar gerammeld, er is veel leed, schade berokkend en wederzijdse haat gegroeid.
Misschien kan volgende toepasselijke metafoor één en ander verduidelijken: “Wanneer men ergens alles vol mijnenvelden legt, en vervolgens afdruipt, dan zijn die mijnenvelden nog wél de verantwoordelijkheid van zij die er ze gelegd hebben”.

Het lijkt me veel realistischer en beter -en al evenzeer “subversief” t.a.v. de doelstellingen van de huidige interventiemachten- om naast het ijveren voor terugtrekking van de huidige bezettingsmacht met in hun gevolg een pleiade aan schimmige huurlingenlegers van allerlei “beveiligingsfirma's”, ook te ijveren voor een internationale vredesmacht met duidelijk omschreven en gecontroleerd stabilisatiemandaat (peacekeepingforce) onder VN-auspiciën met brede regionale inbreng, met daarbij de eis dat minstens een aanzienlijk equivalent van de immense bedragen die nu aan oorlog in Irak en Afghanistan worden besteed, aan in velerlei opzicht sociaal evenwichtige (her)opbouwende maatregelen in deze landen (ook Afghanistan is nu al bijna 30 jaar inzet van een sterk geïnternationaliseerd gewapend conflict) wordt gespendeerd.

Zelfs al is de kans dat dit gerealiseerd wordt zéér gering (zie ook de schets van een aantal knelpunten in deze onder punt 3), deze aanzet tot IN PRINCIPE realisiseerbaar alternatief heeft twee grote voordelen:
- men biedt antioorlogsverzet een mobiliserend perspectief en toont aan dat ook deze krachten in alle omstandigheden “realpolitik” kunnen bedrijven;
- door aanhoudende weigering hiervan wordt alleszins de politieke kost van toekomstige interventies verder opgeschroefd (gezichtsverlies t.a.v. concrete en breed gedragen alternatieven is altijd groter dan t.a.v. het louter declameren van “algemene principes”.

Ten slotte getuigt deze andere soort “interventie” ook van verantwoordelijkheidszin t.a.v. de precaire toestand zoals die door jaren van “veiligheidsinterventie” werd geschapen.

Tot zover een aantal onderbouwde persoonlijke -en dus uiteraard puur subjectieve- commentaren annex standpunten. Alle kritische bedenkingen zijn uiteraard meer dan welkom.


Voetnoten:
(1) Zie bv. Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten: “Internationaal toetsingskader voor Gewapende Interventie”, (7 maart 2001), te vinden onder volgende URL: www.njcm.nl/upload/Hum.Interv.7maart01.PDF
Dit Comité geeft een gedetailleerde en strikte opsomming van allerlei voorwaarden, kenmerken en doelstellingen van een H.I., maar zoals het juristen betaamt, wordt het vraagstuk van macht, politiek en concrete belangen impliciet aan “andere specialismen” overgelaten.

(2) Zie ondermeer W.J.M. Van Genugten: “Humanitaire Interventies, mogelijkheden en wensen”. In: Noord-Zuidcahier jg. 17 nr. 1 (maart 1992), p. 111-117.

(3)Chomsky, Noam & Herman, Edward S.: “The Washington Connection: Volume I – The Washington Connection and Third World fascism”. Spokesmen ed. (London, 1979), p i-ii en p. 361 voor uitgebreide toelichting bij de selectie.
Het boek is stevig gekruid met een kleine 1000 voetnoten, waarin ook veelvuldig verwezen wordt naar overheidsdocumenten.

Geert Nauwelaerts

maandag 10 december 2007

“HUMANITAIRE INTERVENTIE”: internationale kaderschets en het “prille debat”

Inleiding

Het is misschien niet eenvoudig meer met op de achtergrond twee seminaries die handelen over het thema van deze blog, om het originaliteitsgehalte van de blogbijdragen te vrijwaren.
Toch doen we daartoe een poging, met als referentie een bijdrage aan de uitgave “Noord-Zuidcahier” van de toenmalige Vlaamse koepel van Derdewereld-NGO's NCOS, met de sprekende titel “Interventie”(1).
Het betreffende tijdschriftnummer dateert niet geheel toevallig uit begin 1992.
Het is immers vanaf 1989-90 dat het internationale discours en de academische en mediadiscussies omtrent humanitaire interventie (2) sterk opgang maakten.
Een dozijn bijdragen licht een aantal begrippen toe en bekijkt (humanitaire)interventie zowel geopolitiek, historisch, juridisch, bespreekt een aantal concrete cases (Nicaragua, het toen Zaïre geheten Congo, Joegoslavië), en verpoost bij de toekomstige rol van de VN hierin.

We selecteerden de bijdrage “De Nieuwe Wereldorde” van prof. L. Reychler (3), die ons om twee redenen interessant leek. Eerst worden een aantal ingrijpende wijzigingen in het mondiale kader geschetst waarin deze discoursverschuiving zich situeerde. Via een schets van de huidige en de zgn. nieuwe wereldorde, waarin ook méér kansen en aanvaarding van H.I. deel uitmaken, worden vervolgens naast een typering van H.I. vervolgens mogelijke argumenten pro en contra HI zoals die in de toenmalige debatten werden aangehaald, op een rijtje gezet. Het is immers op zich interessant te zien hoe gedacht werd in de vroegere fasen van het HI-debat. Een aantal commentaren kunnen misschien ingaan op eventuele accentverschuivingen die sedertdien zijn opgetreden.

Een gewijzigde internationale omgeving

Een vaststelling waarvan de auteur vertrekt, betreft de stroomversnelling inzake internationale veranderingen die rond eind jaren '80 plaatsvond, en die eigenlijk, zoals ook andere grote historische gebeurtenissen uit het verleden, niet voorspeld was. Dit zorgde voor veel onzekerheid bij wat kan worden omschreven als “de grote beleidscentra”.
De gewelddadige desintegratie van Joegoslavië, de USSR, de democratiseringsbewegingen en de implosie van een aantal Afrikaanse staten (Liberia, Somalië, ...), het einde van de eerste Golfoorlog dat een militair sterk doch zwaar verschuld Irak naliet,...

Een aantal oorzaken van het ontbreken van goede voorspellingen worden opgesomd, waarvan we hier weerhouden dat er teveel gefocust werd op de merkwaardige decennialange “Koude-Oorlogsstabiliteit”, en een aantal onderliggende “megatrends” zowel politiek ook academisch werden verwaarloosd.

Reychler probeert alvast bescheiden een aantal “megatrends” die zich volgens hem verder zullen doorzetten, te identificeren:
de revolutie van de informatiechnologie, die democratiserend werkt;
wereldwijde democratiseringsdruk, voor een deel geleid door nieuwe, beter opgeleide jonge generaties a.g.v. het Oosteuropese voorbeeld en het einde van de “wit-zwart”-apartheid die nu meer de “zwart-zwart”-apartheid op de voorgrond brengt
anti-democratiseringstrends als tegenreactie: “fundamentalisme”, extreem-rechts, stukken van de voormalige nomenclatura die zullen manoeuvreren in de nieuwe maatschappelijke ordening;
een toenemend “gemakkelijk cynisme” bij de publieke opinie in het westen, dat elk ideaal (4)) bij voorbaat wegwuift als mooi verpakt “eigenbelang”, en derhalve een constructieve aanpak van internationale problemen bemoeilijkt;
het 5000-200 probleem: ca. 5000 “etnische groepen” leven in ca. 200 staten, die het steeds moeilijker zullen hebben om die sluimerende conflicten te onderdrukken in het kader van de gewijzigde internationale omgeving;
een verschuiving van “harde” naar “zachte, coöpterende” macht: met militaire macht koopt men zich geen duurzame uitstraling, terwijl door de verspreiding van dit soort macht de kosten ervan sterk zijn toegenomen. Nationale cohesie, internationale organisaties, media en cultuur winnen daarentegen aan belang;
een nieuw, multipolair internationaal systeem met drie belangrijke wereldregio's en een handvol wereldmachten, die in één of meer regio's deel uitmaken van een eigen regionale multipolariteit, en niet noodzakelijk over één specifieke machtsvorm beschikken. Dit gegeven versterkt ook de rol van internationale organisaties;
een toegenomen aanvaarding én grotere kansen op succes van de humanitaire interventie, dat hij zelfs als “één van de vérreikende veranderingen in de internationale betrekkingen” kwalificeert. Vrede en veiligheid stoelen niet langer voornamelijk op wapenbeheersing en samenwerking, maar ook op minimale menselijke veiligheid, dewelke bedreigd wordt in geval van genocide, massamoord of foltering. Verschillende gebeurtenissen in de jaren '70 (Oost-Pakistan, Oeganda, Cambodja) en de toegenomen aandacht van media en NGO's hiervoor moeten dit onderstrepen;
de “America first”-houding zal toenemen: ofwel in de vorm van isolationisme ofwel van een unilateralistisch buitenlands politiek;
een conflictrijke wereld waarbij we toch even een aantal fenomenen die weerhouden die worden opgesomd, omdat ze dienstig kunnen zijn als achtergrond voor een verdere discussie inzake HI:
- etnonationalisme aangezwengeld door socio-economische ontberingen;
- latente interstatelijke spanningen die aan de oppervlakte komen;
- toenemende sociale ontreddering in een aantal regio's, met o.m. groei van allerlei vormen van criminaliteit
- groei van een “anti-politieke” houding;
- toenemende kans op proliferatie van ABC-wapens;
- toenemende economische achteruitgang en miliedegradatie in bepaalde gebieden
- migratiedruk;
- toenemende spanningen tussen Noord en Zuid annex demografische balansverschuivingen.

De wereldorde zoals die rond begin jaren '90 bestond, met het wegvallen van “Oost-Westcompetitie” had dus ingrijpende gevolgen voor de politieke, economische, sociale en militaire veiligheid van “het Zuiden”.
Fijntjes en ietwat “visionair” merkt de auteur het volgende op: “Indien de geallieerde interventie in de Perzische Golf (noot: die van 1991) als een niet te duur succes zal worden gewaardeerd en geen aanleiding zal geven tot langdurige regionale chaos, zal dit wellicht gelden als precedent voor een meer interventionistisch mundiaal veiligheidsregime”.

De “nieuwe wereldorde” waar veelvuldig naar verwezen wordt, was in oorsprong en in wezen een verwijzing naar zowel de feitelijk zich voltrekkende veranderingen als naar een wereldorde zoals die gewenst werd door verschillende grootmachten, dus niét alleen de VS.
Het is evenwel de speech van Bush sr. voor het Congres in sept. '90 in volle Golfcrisis die het begrip de invulling gaf die als referentie voor elk debat daarover zou gaan dienen (5).

In de “rule of law” die centraal werd gesteld, hield ondermeer uitdrukkelijk de optie van gebruik van door de “internationale gemeenschap” (een woord dat ook steeds meer zou opduiken) gelegitimeerde militaire macht ter handhaving van de beginselen van die “rule of law”.

Humanitaire interventie wint aan belang

Op die rol van “interventie”, in volkenrechtelijke termen gedefinieerd als “een inmenging in de binnen- of buitenlandse aangelegenheden van een andere staat, zonder dat deze laatste daartoe zijn toestemming heeft verleend”, wordt vervolgens dieper ingegaan.
Volgende typeringscriteria van interventies worden gehanteerd:
-niet-militaire versus militaire, waarbij verschillende vormen van peacekeeping en vredesvrijwarende rollen onderscheiden worden van het meer ingrijpende “peace enforcement”;
-unilaterale versus multilaterale interventie;
-legitimiteit: internationaal én door belangrijke groepen in de “doelwitstaat”;
-qua doelstellingen: veiligheid – milieu – humanitair;
Humanitaire interventie wordt vervolgens omschreven als “proportionele grensoverschrijdende hulp, met inbegrip van gewelddadige hulp, van regeringen aan de individuen van een andere staat wier mensenrechten worden geschonden.”(6)
Een toen actueel en veelbesproken voorbeeld dat wordt genoemd is de inrichting van veilige zones in Iraaks Koerdistan op basis van Resolutie 688 van de VN-Veiligheidsraad.

Pro's en contra's

De auteur erkent dat “interventie” als begrip door de diplomatieke tijden heen een zeer negatieve bijklank heeft verkregen. Toch merkt hij op dat een aantal vrij recente interventies op maar weinig internationale afkeuring konden rekenen: Oeganda in Tanzania ('79), India in Oost-Pakistan ('71), de Franse interventie tot afzetting van Bokassa in de Centraal-Afrikaanse republiek ('79). Hoewel hier geen enkele interveniërende staat zich uitdrukkelijk op een humanitair beginsel beriep, ziet de auteur hierin toch de kiemen van het later gehanteerde concept van de H.I.

Naast de hiervoor geschetste gewijzigde internationale context, droegen volgende factoren droegen bij tot een groeiende aanvaarding van de idee van H.I.:
toegenomen democratisering van de internationale politiek (media en NGO's);
groeiende bewustwording dat neutraliteit in asymmetrische conflicten in feite partialiteit betekent;
veranderingen in het vredesdenken, waarbij ook niet-militaire voorwaarden belangrijker worden (rol van de mensenrechten, band tussen interne en externe ontspanning, tussen veiligheid, welvaart en vrede);
toegenomen interne ontvoogdingsdrang in het Zuiden;
post-Koudeoorlogsomgeving met effecten op bepaalde regimes en het functioneren van de Veiligheidsraad (minder kans op “politieke blokkeringen”).

Ideaaltypisch kunnen drie houdingen tav H.I. worden onderscheiden:
1.absoluut verzet: alleen zelfverdediging wettigt geweldsgebruik;
2.pro beperkte interventie: slechts in gevallen van barbaarse mensenrechtenschendingen
3.de interventionistische strekking: ernstige schendingen volstaan (niet noodzakelijk genocide)

Contra

De argumenten van tegenstanders die worden aangehaald zijn de volgende:
- traditioneel niet-interventiebeginsel: soevereiniteit heeft steeds voorrang, zelfs ondemocratische regeringen vertegenwoordigen in deze kwesties “de bevolking”;
absoluut pacifisme;
- cultureel relativisme: onze waarden mogen niet worden opgelegd aan anderen, hetgeen moreel imperialisme zou impliceren;
- "elitisme": mensenrechten, waarvan de principiële universaliteit wordt erkend, kunnen echter maar gerealiseerd worden onder bepaalde sociale en economische voorwaarden;
- “samenzwering”: mensenrechtenpolitiek is niet meer dan een nieuwe dekmantel voor een westerse imperialistische politiek;
- gevaar van misbruiken en politiek van twee maten, twee gewichten: enkel kleine machten worden doelwit van H.I., risico op unilaterale interventies (bv. VS), ontstaan van een “kruisvaardersmentaliteit”

Pro

De auteur stelt onomwonden dat de argumenten van de interventionisten “zwaarder wegen”.
- ze respecteren wél de soevereiniteit, daar H.I. niet mag leiden tot territoriale aanwinst of politieke onderwerping;
- ze stellen wél dat de externe legitimiteit van regimes mee bepaald wordt door hun interne legitimiteit (“volkssoevereiniteit”);
- cultureel relativisme geldt niét voor de fundamentele mensenrechten (cfr. ook de “Universele Verklaring”);
- voor het overige worden de andere argumenten geneutraliseerd met het beklemtonen dat H.I. uiteraard aan strikt omschreven en tegelijk vervulde criteria of voorwaarden moet beantwoorden

Wat zijn dan die voorwaarden ?

- uiteraard mogen alleen humanitaire doelstellingen worden nagestreefd (alhoewel auteur in dit verband onomwonden voor een brede lezing opteert en zelfs “de omverwerping van dictatoriale regimes” hierbij vernoemd);
- respect voor het evenredigheidsbeginsel: éérst alle mogelijke vreedzame middelen uitpuren;
- voldoende internationale legitimiteit: VN, regionale steun,...
de ”slachtoffers” moeten de interventie positief waarderen. Opvallend is dat auteur hier weer resoluut gaat voor de “brede lezing” en stelt dat “H.I. een stevige hulp is voor individuen die opstaan tegen de tirannie, of zouden in opstand komen indien ze de kans kregen.”

Uiteraard is men alleen gebaat bij een effectieve H.I.:

- verwachte kosten en baten van interventieactoren zullen de wil tot een bijdrage aan de interventielasten bepalen (7);
- een adequaat interventievermogen impliceert goede predictie- en monitoringsystemen opdat middelen tijdig zouden kunnen ingezet worden. Dit impliceert o.a. de medewerking van de grootmachten (8);
- een strategische consensus: onenigheid over waarheen met een bepaald beleid, is nefast (bv. Balkancrisis en de E.U.). Daarom moet H.I. kaderen in bredere beleidsdoelstellingen die heel wat andere domeinen behelzen én vooral op preventie gericht zijn.

Conclusie

H.I. blijft ook in deze visie het corrigeren van een scheefgegroeide toestand en dient bij voorkeur vermeden te worden. In zijn uitwerking van “preventie” tenslotte vernauwt de auteur ten slotte dit begrip tot het bij voorbaat aflijnen van wélk gedrag door “de wereldgemeenschap” niet zal worden getolereerd, en het op poten zetten van goede systemen van conflictprognose en conflictbeheersing.


Voetnoten:
(1) Noord-Zuidcahier. Driemaandelijks tijdschrift voor ontwikkelingssamenwerking. Nr. 1, jg. 17 (maart 1992). Een uitgave van: Broederlijk Delen, NCOS, Bijeen. De besproken bijdrage is terug te vinden op blz. 25-42 van betreffend nummer.
(2) Verder afgekort tot “H.I.”
(3) Prof L. Reychler was toen prof. politieke wetenschappen aan de KUL.
(4) Betrokkene knipoogt hierbij wellicht ook naar het “onuitgesproken ideaal” van de H.I.
(5) Of hoe macht via “taal” ook het debat stuurt.
(6) Onze markering in vet.
(7) M.a.w. erkend wordt dat de belangen van de intervenanten een cruciale rol vervullen.
(8) “H.I. kan niet tegen grootmachten of zonder hun goedkeuring tegen andere bevriende landen gebruikt worden.” (blz. 40)

Geert Nauwelaerts

zaterdag 17 november 2007

De strijd om de Bottom Billion


Bespreking artikel: “De controversiële standpunten van Oxfordeconoom Paul Collier” uit “De Morgen Zeno” (zaterdageditie van 3/11/07) van Rudi Rotthier

Paul Collier is directeur van het Centrum voor de Studie van Afrikaanse Economieën en voormalig directeur van ontwikkelingsonderzoek bij de Wereldbank. In dit uitgebreide artikel geeft de econoom tekst en uitleg over zijn nieuwste boek: “The Bottom Billion” waarin hij argumenteert dat het toch niet zo slecht gaat met de ontwikkeling van de (Derde) wereld, en dat “slechts” 1 miljard mensen zich in landen bevinden die geteisterd worden door structurele armoede. Ontwikkelingsprojecten en dergelijke moeten zich dan ook op deze Bottom Billion concentreren en zich niet meer inlaten met bijvoorbeeld projecten in India, want “India is nu rijk genoeg om zich zelf om zijn armen te bekommeren”. Hoewel capaciteit en intentie om te handelen niet hetzelfde zijn, is het wel zo dat er voor kinderen in India door de groeiende economie meer hoop is dan voor kinderen in Congo of Laos. Hij zegt ook dat door de inspanningen te blijven verdelen over “5 miljard mensen” de onderste groep nagenoeg niets krijgt. Concentratie van middelen en fondsen op een beperkt aantal gebieden kan inderdaad een middel zijn om structurele oplossingen te creëren in plaats van enkel als pleister op de wonde te ageren. De structurele problemen waarin deze (volgens Collier 58) landen bevinden, hebben vooral te maken met gewapend conflict, grondstoffen, isolatie en slecht bestuur, volgens hem. We kunnen inderdaad meer dan een dozijn landen bedenken met die problemen en weinig landen met structurele armoede die hiermee niet te kampen heeft gehad. De vraag is alleen of er geen oorzaak-gevolg verwarring is: is conflict en corruptie een oorzaak of net het gevolg van de economische toestand en praktijken? Maar in mijn opinie wil hij vooral benadrukken dat deze elementen ontwikkeling blokkeren en de penibele economische situatie en armoede voeden. Veelal zijn deze aspecten ook verbonden: neo-patrimonialisme, guerrilla’s in de periferie, roofeconomie van de overheid of rebellen,… De verderzetting van conflict kan zelfs (economisch) in het voordeel zijn van bepaalde groepen in het land. Collier pleit dan ook voor harde maatregelen: militaire interventies.

Een hoogst merkwaardige uitspraak voor een econoom natuurlijk, maar volgens hem is de precaire veiligheidstoestand één van de belangrijkste oorzaken van de achterstand op het vlak van ontwikkeling. Vredesoperaties zouden deze regio’s kunnen stabiliseren en voor een klimaat zorgen waarin ontwikkeling mogelijk is. Beschuldigingen van neo-kolonialisme en neo-imperialisme bij deze interventies legt hij naast zich neer: mensen als Mugabe spreken niet voor Afrika of voor hun volk, maar vooral uit eigenbelang. Maar volgens hem is de grootste terughoudendheid te vinden in Europa: het soevereiniteitsprincipe en de onwil om zich met deze gevaarlijke taken in te laten, zijn volgens Collier de belangrijkste oorzaken hiervan. Je kan natuurlijk kiezen waar je prioriteiten liggen: het Westfaalse statensysteem of mensenrechten/mensenlevens. Persoonlijk vind ik het soevereiniteitsprincipe niet absoluut heilig. Zonder het te hebben over opleggen van een alternatief politiek of economisch systeem of het bewerkstelligen van een regimewissel, kan een bevolking of een deel ervan bescherming of levensnoodzakelijke middelen nodig hebben, waarin de staat nalaat te voorzien of zelfs oorzaak van is, waardoor aanspraken op soevereiniteit twijfelachtig worden. Een standpunt dat ook gedeeld wordt door de VN in haar “Responsibility to protect” document. Naast de kwestie van soevereiniteit en de onwil tot actie, zijn er echter nog redenen om niet meteen de kaart van militaire interventies te trekken. Zonder twijfel gaat Collier wat kort door de bocht.

De kwestie van fundamentele veranderingen “op te leggen” aan dit soort landen, dient met een grotere omzichtigheid te worden benaderd. Het is misschien vrij Eurocentrisch ( of meer uit “westers” perspectief) en paternalistisch om bijvoorbeeld Afrikaanse landen, waarvan nog steeds velen dictaturen, afwezigheid van staten, militaire regimes, … zijn, naar democratisch model te willen omvormen en onze waarden en normen te willen opleggen, maar of, ten eerste, westerse staten daar zelf zoveel voordeel uithalen om dit (neo-)imperialisme te noemen en, ten tweede, dit zozeer in het nadeel is van de plaatselijke bevolking, is toch twijfelachtig. Structurele aanpassingen in het politiek en economisch systeem kunnen echter in sommige (met nadruk op sommige) gevallen nodig zijn om mensenrechten schendingen, conflicten of erbarmelijke toestanden in de toekomst te vermijden. Deze hervormingen kunnen het herstel van autonomie en soevereiniteit herstellen en voor de toekomst veiligstellen.

De wereld, met de ontwikkelingslanden voorop, eigenhandig en vanuit westers perspectief willen veranderen is echter gevaarlijk, moreel verkeerd en vaak contraproductief. Veranderingen aanmoedigen op het vlak van mensenrechten en politiek-sociale rechten van de bevolking en daarboven optreden als scheidsrechter om strijdende partijen uit elkaar te houden zal vaak noodzakelijk blijken om de “Bottom Billion” in een betere levensstandaard te voorzien. Naar mijn mening is deze visie ook Collier genegen. Hierbij zijn dan ook een wijd gamma aan middelen nodig, gaande van ontwikkelingshulp tot diplomatieke maatregelen, die hopelijk militaire interventies in de toekomst kunnen vermijden. Hoewel Collier vrij sceptisch staat ten aanzien van ontwikkelingshulp, is hij zeker geen tegenstander van het concept, maar pleit hij toch voor meer controle en toezicht, en moedigt hij troepenmachten in probleemgebieden aan om stabiliteit te creëren die op zijn beurt ontwikkeling kan op gang trekken. Dit kwistig omspringen met militaire macht zou zeker als bedreiging worden aanzien voor vele staatshoofden. De eventuele samenkoppeling van deze troepen met een idee van hervormingsbeleid zou daarenboven gelijkstaan met het installeren van kolonialisme om de fouten van de vorige koloniale periode ongedaan te maken, een notie die Collier trouwens ontkent (“armoede is het gevolg van een slechte economie, niet van de koloniale tijd”). Hulp bieden is één ding, beslissingen en veranderingen maken voor een ander land is iets compleet anders. Humanitaire interventies moeten en mogen enkel gebruikt worden om de ergste excessen te stoppen. Dat dit niet altijd het geval is, staat buiten kijf. Andere belangen zullen bij heel wat staten (ook) centraal staan bij de keuze voor een interventie of net niet. Hoewel individuele staten hier meer vatbaar voor zijn, zijn multilaterale acties geen garanties voor morele rechtvaardigheid. Ook de VN veiligheidsraad, waarbij de permanente leden met conflicterende belangen te maken hebben, is vaak besluitloos of verdeeld over dit soort kwesties. Alleen een nieuw internationaal orgaan, die criteria oplegt voor interventies; de voorwaarden en het handelen op het terrein, die strikte doelstellingen voorschrijft en controle uitvoert, kan militaire interventies in probleemgebieden terug humanitair maken. Dat dit in een wereld van internationale wantrouw, realpolitiek en financieel-politieke allianties eerder wishful thinking is, kan moeilijk ontkend worden.

Van Nijverseel Gerrit

Problemen en uitdagingen voor "humanitarianism" in de 21ste eeuw

Bespreking artikel “Beyond the Age of Humanitarianism: Past Trends and Future Challenges” uit “Journal of Contigencies and Crisis Management” (volume 11 nr. 4 december 2003) van Liesbet Heyse

Om te beginnen moet er een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen humanitaire hulp (financiële, voedsel- en noodhulp) en humanitaire interventies (militaire operaties met het oog op peace-building en/of bescherming van volkeren buiten de eigen staat). Soms wordt hier geen onderscheid tussen gemaakt, wat verwarring kan veroorzaken. “Humanitarianism” geldt dan als verzamelnaam voor beide fenomenen. Het artikel handelt dus over beide aspecten en meer in het bijzonder over de voor- en nadelen, over nieuwe ontwikkelingen en toekomstige uitdagingen van humanitarianism. Wat zal de 21ste eeuw op het vlak van humanitaire hulp en interventies brengen?

Ik zal mij trachten te concentreren op de interventies, aangezien deze het meest naar voor kwamen in de cursusteksten. De auteur brengt enkele kritische bedenkingen naar voor over de praktijk van het hulp verlenen. In vele gevallen kwam deze hulp te laat en werd ze te lang en te veel verstrekt… Hoewel de auteur hier niet verder op ingaat, raken we hier al een belangrijk aspect van het spanningsveld dat het overkoepelende onderwerp is van deze blog. Dat de hulp veelal te laat komt lijkt mij logisch: in het internationale toneel vertragen de beslissingmechanismen alle acties en vooraleer men een algemene consensus heeft lijkt het ergste leed al geleden. Dit is vooral het geval bij “peace enforcement” en “peace keeping” operaties, zoals het geval is bij genociden, etnische zuiveringen, grootschalige repressie,… Verschillende belangen en visies op concepten als mensenrechten, genocide en etnisch geweld, kunnen hier mede aan de basis liggen. Te veel en te lang lijken iets minder vanzelfsprekend. Wanneer humanitaire hulp of interventies echter over een te lange periode worden toegepast, krijgt men echter een soort gewenning bij de ontvangende landen/bevolking. Ze worden te zeer afhankelijk van deze hulp waardoor ze niet meer autonoom kunnen functioneren. Voedselhulp kan bijvoorbeeld de lokale markt verstoren, waardoor vele boeren zonder inkomen komen te zitten. Voor militaire interventies is dit moeilijker in te beelden, aangezien zij de orde en stabiliteit moeten herstellen, maar langdurige aanwezigheid kan ook hier perverse effecten hebben. Een eerste voorbeeld kan misschien de interventie van Syrië in Libanon zijn tijdens de burgeroorlog: na verloop van tijd was niet het Libanese leger of overheid aan de macht, maar de Syrische troepen samen met marionetregeringen en presidenten. Andere “failed-states” dreigen met een zelfde dynamiek te maken te krijgen. De de facto macht ligt bij de buitenlandse krachten (leger, diplomaten, …), die na verloop van tijd de volledige functies van het overheidsapparaat op zich nemen en die volledig instaan voor de heropbouw van een vorm van bestuur, die veelal de afspiegeling van of een vorm die in het belang is van de interventionisten is. Elke interventie dreigt tot een groeiende inmenging van interne aangelegenheden te leiden, ongeacht de aanvankelijke intenties.

Dit leidt tot een volgende gevolgtrekking van de auteur; humanitarianism wordt/werd steeds meer een complexe aangelegenheid. Met de toenemende trend van intrastatelijke oorlogen, oorlogseconomieën en etnisch geweld is het voor de hulpverleners, staten en legers steeds moeilijker geworden om onpartijdig en neutraal te zijn. Humanitaire hulp heeft de toelating nodig van de overheid van de ontvangende landen, waardoor deze hulp strategische gebruikt kan worden. Wie krijgt hulp en wie niet? Partijdigheid speelt nog een grotere rol in humanitaire interventies. Men intervenieert altijd in het belang van een bepaald deel van de bevolking ( prefereerbaar voor de gehele bevolking of het algemeen belang). Dit, soms in het nadeel of zelfs tegen de huidige regering van het land. Maar het is echter nodig dat men steun krijgt vanuit het land, en dus partijdig is, want zonder steunpunten krijgt men een legitimiteitscrisis, vergelijkbaar met de situatie in Somalië in de jaren 90 en Irak (waarmee ik zeker niet wil alluderen dat het hier om humanitaire interventie ging).

Hoewel het artikel een aantal pijnpunten aanhaalt in verband met humanitarianism, schiet het ruimschoots te kort op het vlak van richtlijnen, oplossingen of concrete doelstellingen voor humanitaire hulp/interventie. Op dit vlak wordt er vooral gehandeld over de noodzaak aan coördinatie (tussen internationale en nationale actoren, tussen NGO’s, regeringen en militaire bevelhebbers) en follow-up, evaluatie en zelfkritiek met het oogmerk lessen te trekken uit operaties, projecten of hulpprogramma’s. Aspecten als legitimiteit, neutraliteit, de lengte van operaties en hulp, de manier van toepassing en andere meer concrete zaken worden niet besproken. Zaken als intenties, legitimiteit, rechtvaardigheid en specifieke voorwaarden of richtlijnen voor humanitaire hulp of ,meer bepaald voor dit onderwerp, militaire interventies worden nauwelijks besproken in dit of andere artikels. Met het falen van het Irak-beleid en het lang aanslepende conflict in Soedan, begint die discussie op sommige plaatsen eindelijk meer aandacht te krijgen. De afwezigheid van duidelijke criteria voor het interveniëren en regels bij de interventie, zorgt voor een grote mate van willekeur. De mogelijkheid van individuele staten tot interventie, leidt niet alleen tot vragen over legaliteit, maar ook over de legitimiteit. Dit kan deels verklaard worden door de vaagheid van concepten als mensenrechtenschending, genocide en etnische zuivering: de afwezigheid van internationale standaarden en criteria, die vaak het gevolg is van nationale en/of diplomatieke belangen. Een situatie waarbij case per case wordt beschouwd, in plaats van op basis van meer objectieve maatstaven, zal altijd onderhevig zijn aan bias door politiek/economische allianties en realpolitiek.

Een lichtend voorbeeld vormt deze tekst op het vlak van coördinatie. Niet alleen moeten verschillende vormen van humanitaire hulp en mogelijk interventies op elkaar afgestemd worden, ook verschillende actoren moeten meer samenwerken en informatie doorspelen. Regeringen, legers en NGO’s zouden hun beleid beter op elkaar moeten afstemmen en acties coördineren om samen een vlot geoliede machine te vormen, ten behoeve van de bevolking van de desbetreffende landen ( en niet zo zeer voor de eigen agenda). Hoewel een gedeelde strategie door de verschillende uitgangspunten, concrete doelen en perspectieven onmogelijk en deels ook niet gewenst is, lijken constante discussies over schuldvragen, juiste intenties en middelen ook weinig productief. Vanuit het eigen groot gelijk handelen in naam van een bevolking, zonder met actoren ter plaatse (zij het nu exogene of endogene) te overleggen, zoals vele gouvernementele en zelfs niet-gouvernementele organisaties doen, kan alleen leiden tot tegenstrijdige strategieën. De auteur ziet echter tekens van geleidelijke evolutie naar meer samenwerking en zelfreflectie van de humanitaire sector en hoopt daarmee dat de 21ste eeuw een eeuw van verbeterd humanitarianism wordt.

Van Nijverseel Gerrit


woensdag 7 november 2007

Wie vormt ‘s werelds echte bedreiging?

Hier komt een eerste poging om de hiervoor geschetste problematiek iets duidelijker en meer tastbaar te maken. Wij gaan hier het debat aan over het buitenlandse beleid dat ‘het Westen’ voert, waarbij zowel hun politieke, economische als sociale waarden als maatstaf worden gebruikt in het streven naar een betere wereld. Het antwoord op de vraag of dit een gerechtvaardigde strijd is, of dat men onder het mom van de verspreiding van de democratie en het tegengaan van terrorisme enkel meer macht wil verwerven, hangt erg af van de invalshoek waaronder je de feiten voorgeschoteld krijgt. Elke versie van de feiten is meer ingekleurd al naargelang de belangen die meespelen. Misschien kan het interessant zijn om de discussie te starten vanuit een ander daglicht dan dat wat we gewoon zijn. Daarom zijn de artikels die hier verder als illustratie zullen dienen, afkomstig van een niet-Westerse nieuwsbron, nl. Al Jazeera, die een andere kijk heeft op de rol van het Westen en meer bepaald de VS op wereldvlak.

Het artikel ‘Viva la revolucion!’ [1] behandelt de ontmoeting tussen Hugo Chavez en een delegatie Amerikanen die de revolutie van de omstreden president van Venezuela volmondig steunen. De auteur belicht de uitgesproken mening van Chavez over het buitenlandse beleid van de VS dat hij imperialistisch noemt, en waarbij president Bush de titel ‘Mr Danger’ krijgt. Volgens Chavez moeten de ontwikkelingslanden het imperialisme verslaan, om zichzelf te redden - en niet enkel zichzelf, maar ook om te wereld te redden. Dat is de Hugo Chavez die op zijn beurt door de VS vaak wordt afgeschilderd als dictator, en dat terwijl veel Venezolanen zelf menen in een democratie te leven. Wie het bij het rechte eind heeft, is een groot punt van discussie (waarschijnlijk moeten beide partijen de zaak met een meer genuanceerde blik bekijken). Maar wat zeker is, is dat de inmenging van de VS niet overal in dank wordt afgenomen.

Vanuit een heel andere hoek van de wereld horen we een gelijkaardige discussie. In twee artikels [2] wordt weergegeven hoe de president van Iran, Mahmoed Ahmadinejad hetzelfde standpunt inneemt. Hij zei dat ernstig afbreuk wordt gedaan aan de mensenrechten door bepaalde machten, vooral door deze die zich voordoen als de exclusieve verdedigers ervan. Ook gaat hij niet akkoord met de bemoeienissen van de VS, dat zich opstelt als model waaraan een land dat goed wil functioneren zich moet spiegelen. Iran ziet de VS veeleer als bedreiging, grotendeels omdat dat land zich, samen met de andere permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, zich het alleenrecht toe-eigent op kernwapens. Iran ziet zijn nucleair programma dus als een noodzakelijke bescherming, en wil dit zeker niet opschorten. Als voorbeeld van het imperialisme van de VS gebruikt Ahmadinejad ook nog de invasie in Irak, waar de VS zogezegd de toenmalige dictator ten val wou brengen en massa-vernietigingswapens wou doen verdwijnen, alsook de Amerikaanse steun aan Israël, ook al onderdrukt Israël de Palestijnen.
Het leiderschap van Mahmoed Ahmadinejad wordt, net als dat van Hugo Chavez, vaak in vraag gesteld, vooral inzake zijn extreme gedachtengoed. Maar voor een groot deel van de wereldbevolking, vooral inwoners van ontwikkelingslanden, primeert zijn standpunt over de ontwikkeling boven zijn uitspraken over de holocaust, homoseksuelen, de rol van vrouwen en zijn atoomprogramma. Hij kaart het probleem aan dat de invloeden van de koloniale erfenis op ontwikkelingslanden groot zijn, en dat die zich vandaag de dag nog steeds laten voelen. Dat er zoveel armoede blijft bestaan, wordt mee in de hand gewerkt door het Westers economisch systeem. In de koloniale periode zijn veel van de grondstoffen en rijkdommen waarover de huidige ontwikkelingslanden beschikten geëxploiteerd ten voordele van de regerende macht. Hoewel die landen inmiddels hun onafhankelijkheid terug hebben verworven, kampen ze nog steeds met economische problemen, en ook nu nog vervult het Westen daar geen glansrol in. Het beleid van het IMF en de Wereldbank is immers niet steeds datgene dat hun ontwikkeling het snelst vooruit helpt. Ook door de enorme landbouwsubsidies in het Westen, waardoor markten in de ontwikkelingslanden overspoeld worden met producten aan een prijs waarvoor ze in die landen zelf nooit geproduceerd kunnen worden, woedt de economische strijd voort en is de uitbouw van een binnenlandse ontwikkelingssector moeilijk gezien de hoge schuldenlast die ze met zich meedragen. De steun die Chavezs Venezuela en Ahmadinejads Iran bieden, wordt dan ook hartelijk verwelkomd. Beide landen hebben een grote oliereserve evenals goed draaiende niet-oliesectoren, waardoor een groot budget beschikbaar is voor ontwikkelingshulp. Deze wordt geboden “with no strings attached” (volgens het laatste artikel). De auteur van het artikel beweert dat die landen zich in tegenstelling tot het Westen zich op deze manier niet imperialistisch opstellen, terwijl ze toch hulp verlenen.

Uiteraard moet deze laatste bewering met een korrel zout worden genomen. Wat belangrijker is in deze artikels, is dat de manier van aanpak van Westerse hulp ernstig in vraag wordt gesteld in verschillende uithoeken van de wereld. Voor velen in de derde wereld is de globalisering die uit het Westen komt aanwaaien blijkbaar niet welkom, omdat dit enkel imperialisme zou zijn vermomd in een kleedje van democratie en vrije markten. Hopelijk geeft deze andere invalshoek aanleiding tot extra bedenkingen, en argumenten die, volgens mij, zeker niet over het hoofd gezien mogen worden.

Eva Maes

Bronnen:

[1] Al Jazeera, Viva la revolucion!, 16/01/2006,
http://english.aljazeera.net/English/Archive/Archive?ArchiveID=17840

[2] Al Jazeera, US is world’s real threat, 26/09/2007,
http://english.aljazeera.net/NR/exeres/FB085194-ABDC-4D1C-82C4-8F24FAAFA8CC.htm

Al Jazeera, Ahmadinejad’s message to the world, 03/10/2007,
ttp://english.aljazeera.net/NR/exeres/8364066A-2388-4194-BEF0-1A262E6976A9.htm?FRAMELESS=true&NRNODEGUID=%7b8364066A-2388-4194-BEF0-1A262E6976A9%7d